Nominatie Gouden Label  De laatste, onvoltooide opera van Puccini (+ 29 november 1924) werd vervolledigd op basis van 36 bladzijden nagelaten schetsen door de niet onverdienstelijke operacomponist Franco Alfano (1875 – 1954).

Naast de complete eerste en tweede acte kon de maestro nog een groot deel van de eerste scène van het derde, laatste bedrijf componeren en de orkestratie ervan neerschrijven. Dit betekent dat zijn werk stopt bij de dood van Liù en de dodenmars (twee maten na het vers Dormi, oblia, Liù, poesia!). De vervollediging hield het beëindigen van deze eerste scène en de ganse tweede scène, de finale, in.

Direct was er al een probleem: Puccini had de wens geuit dat, indien er iets zou gebeuren, het werk door de bekende operacomponist Riccardo Zandonai (1883 – 1944) diende afgewerkt te worden. Zijn zoon, Tonio, protesteerde echter, Mascagni werd eveneens afgewezen en Alfano zou de klus klaren. Tito Ricordi, Puccini’s uitgever besliste dit onder druk van Tonio en Toscanini maar ook omdat deze componist de oriëntale opera La leggenda di Sakùntala (1921) gecomponeerd had. Zowat een jaar en een half na de dood van de meester vond de première op 25 april 1926 in de Milanese Scala plaats onder leiding van Arturo Toscanini (1867 – 1957), met wereldsterren als Rosa Raisa en Miguel Fleta. Op die befaamde première-avond stopte Toscanini waar Puccini gestorven was en hij zegde Qui finisce l’opera (of: Qui termina la rappresentazione), perché a questo punto il Maestro è morto (of: Qui finisce l’opera, rimasta incompiuta per la morte del povero Puccini).

En de muziek die daarna komt heeft steeds voor beroering gezorgd. Alfano’s eerste versie werd werd afgekeurd (door Ricordi en Toscanini) en een tweede verkorte opgesteld. Deze laatste wordt meestal aangewend, maar tegenwoordig is er wel een brede positieve instelling voor Alfano’s eerste versie (die beschikbaar is op CD). In 2001 werd een nieuwe vervollediging ter vervanging van Alfano door Luciano Berio (1925 – 2003) gecomponeerd, maar een overtuigend succes werd dit gelukkig niet.

Deze ongemakkelijke situatie verklaart de verstandige optie van Jose Cura om de uitvoering te beperken tot wat werkelijk van Puccini is, namelijk tot aan het vermelde deel van de eerste scène van het derde bedrijf. En in Luik werd er niet alleen pure Puccini opgevoerd, maar het werd een waar Puccini-feest.

De enscenering en decors waren compleet suggestief, niet overdadig zoals dat soms gebeurt bij Butterfly of Turandot, evenmin sober. Verantwoordelijke hiervoor was de Argentijn Jose Cura (1962), die zich niet alleen verdienstelijk maakt als dramatisch tenor met wereldfaam, maar tevens optreedt als dirigent (zijn oorspronkelijke opleiding…), componist, decorontwerper en fotograaf. Kostuums en decors waren zoals ik ze heel goed kan smaken en de scenische bewegingen waren evocatief en expressief waar het noodzakelijk was.

Cura was reeds voorheen in de Opéra Royal de Wallonie Liège, en ditmaal speelde hij tevens de mannelijke hoofdrol, Calaf, zoon van Timur. Als specialist van Verdi en Puccini zette hij deze rol neer met de nodige kracht, begeerte en liefde, waarbij een gedoseerd dramatisch effect uitstraalde. Niet onterecht ontving hij vele onderscheidingen en het verwondert niet dat hij sinds 2010 Kammersänger van de Weense Opera is. Alle stemkwaliteiten verklankte hij op een magistrale wijze, zonder overdrijven in de hoge noten, want dat is een kenmerkend probeersel van vele en niet steeds de minste tenoren. Turandot is vocaal een erg moeilijk te zingen opera omwille van de soms uiterst zware, snel wisselende zangpartijen waarbij op technisch vlak het uiterste gevergd wordt. Voor Calaf vormde dit geen probleem en men kan Jose Cura gerust rekenen tot beste vertolkers, tot de top drie beste, van deze rol.

Ook grote felicitaties voor het koor, onder leiding van Pierre Iodice, dat als een zelfstandig personage optrad, zoals in een Grieks drama – weerom een perfecte keuze van Jose Cura. Alhoewel Puccini hier massakoren voorschreef, is deze opvatting beter; massaspektakel wordt immers vermeden en de aandacht blijft bij de drie centrale spelers, Calaf, Turandot en Liù, het koor en orkest. Het koor benaderde de aanwezigen op indrukwekkende wijze door zijn naar perfectie neigende stemkwaliteit en een uitgebalanceerde muzikale interpretatie van de epische koorpassages.

De vrouwelijke hoofdrol, de Chinese prinses Turandot werd neergezet door de Siciliaanse Tiziana Caruso, die voor de eerste keer in Luik optrad en bekendheid geniet als Verdi en Pucccini vertolkster. Turandot speelde ze reeds eerder en ze blonk uit door haar vocale standvastigheid in deze moeilijke rol. Het enige wat over haar interpretatie opgemerkt kan worden, is dat ze wat meer vocale expressie, meer contrast ook en een persoonlijkere duiding aan de Chinese prinses mocht geven. De rol van de jonge slavin Liù werd met gepast drama maar ook met fragiele fijnzinnigheid gebracht door de lyrische sopraan Heather Engebretson. Zij bekoorde ons geweldig door haar liefdevolle kracht in deze rol en bewees dat ze een evenwaardige tegenspeelster is van Jose Cura. Zij wist perfect de contrastieve krachtige en toch breekbare diepgang van deze favoriete vrouwenrol van Puccini te verklanken; dit verdient een groot applaus.

Luca Dall’Amico speelde en zong een overtuigende Timur, de Tartaarse vorst in ballingschap. Als bas behoort hij eveneens tot de topklasse en zette zich tenvolle in tijdens deze prestigieuze opvoering. In vele opnames en opvoeringen wordt het trio Ping, Pang en Pong gereduceerd tot een karikatuur. Gans anders in Luik, waar Patrick Delcour, Xavier Rouillon en Papuna Tchuradze de drie commedia dell’arte personages op overtuigende en juist geproportioneerde wijze uitbeeldden. Heel evenwichtig qua optreden waarbij de zangpartijen op de correcte balans gezet werd, konden ze de aanwezigen zonder meer intens bekoren. En dan dient het orkest speciaal gefeliciteerd te worden. Onder leiding van Paolo Arrivabeni schonk dit het publiek de talloos rijke nuances van deze zo fel geschakeerde Puccini-partituur. Naast de zang heb ik enorm kunnen genieten van de prestatie van het orkest.

Slechts één mogelijke conclusie: deze Turandot is zonder meer een schitterende prestatie die men op het niveau van de Scala of de Met kan plaatsen. Het enige punt van opmerking met betrekking tot Turandot doet het enthousiasme niet verminderen. Opvoeringen van dit niveau plaatsen de Opéra Royal de Wallonie Liège op groot internationaal niveau en doen ons verlangen om de andere producties van dit operahuis bij te wonen.