De vijfde editie van de “Pfingstfestspiele” (Pinksterfestival) van Salzburg onder de artistieke leiding van Cecilia Bartoli had als thema “Romeo und Julia”. Zoals de vorige jaren werd dit thema uitgewerkt in verschillende manifestaties : opera- en balletopvoeringen, concerten en recitals, lezingen en filmprojecties.

Niet echt een scenische opera-opvoering dit jaar maar muziektheater  of juister nog een musical : Leonard Bernsteins “West Side Story”, deze Amerikaanse versie van het verhaal van de geliefden van Verona, verplaatst naar het New York van rond 1950.  Een waagstuk? Blijkbaar niet want de twee opvoeringen waren uitverkocht en werden op staande ovaties onthaald. En de reeks gepland voor de  Salzburger Festspiele deze zomer zouden ook reeds uitverkocht zijn. En toch…
Dat een musical van het niveau van “West Side story” in het prestigieuze Salzburgse festival wordt opgenomen, is zeker te verdedigen. Maar je kan je afvragen of het idee om de opvoering als een “flash back” van de oudere Maria voor te stellen, dit ook is. Wat is er met haar gebeurd na de dood van Tony? Blijkbaar leidt zij nu het bruidsjurken-atelier waar ze vroeger werkte. Terwijl ze door de vertrouwde straten van New York naar huis gaat, denkt zij aan het verleden en haar idylle met Tony.  Dan begint de eigenlijke actie met de confrontaties van de Jets en de Sharks. Maria (Cecilia Bartoli) is de stille getuige en ziet zichzelf terug als levendig jong meisje (Michelle Veintimilla) deelnemen aan de actie en de dialogen uitwisselen. Maar vanaf het ogenblik dat er moet gezongen worden, hoor je Cecilia Bartoli. De formule is niet de best  geslaagde, meen ik. Niettegenstaande haar duidelijke inzet en participatie is Bartoli dikwijls slechts een figurante en haar samen met Tony in een duet te horen terwijl hij de andere Maria in de armen houdt, is ook niet bepaald ideaal. Natuurlijk legt Bartoli emotie in haar mooie stem en integreert ze zich gewillig in de algemene “sounddesign” maar dit is duidelijk niet haar repertoire.
De opvoering op het grote toneel van de Felsenreitschule in een enscenering van Philip W.M. McKinley, decors (George Tsypin), kostuums (Ann Hould-Ward) en choreografie van Liam Steel is vrij indrukwekkend maar kan toch niet de hele tijd boeien en mist soms spanning, vooral in de louter gesproken tonelen. Voor Maria die haar verleden herbeleefd heeft, is alles tenslotte te overweldigend en ze gooit zich voor de wielen van de metro om definitief met Tony verenigd te zijn. Indien sommige scènes wat mak overkwamen dan was er beslist geen temperament te kort in het ensemble “America” aangevoerd door de uitstekende Karen Olivo, een vurige Anita die het toneel moeiteloos beheerste en zong en danste als een echte musical ster. Lof ook voor de mooie Michelle Veintimilla die frisheid en emotie aan de jonge Maria gaf en ook kort een keer haar  zachte zangstem mocht laten horen. Norman Reinhardt zette zijn soepele, expressieve tenor in voor Tony en behaalde het vokale succes van de avond. Niet echt meer een adolescent kon hij, als geëngageerd acteur, toch in zijn personage doen geloven. De Bernardo van George Akram daarentegen bleef te bleek en ook de Riff van Dan Burton had meer karakter mogen hebben. Goede prestaties van Cheyne Davidson (Doc), Dave Moskin (Schrank) en Daniel Rakasze (Krupke). De ensembles van de Sharks en de Jets en hun girls waren overtuigend evenals het Salzburgs Bachchor in een wel ongewone taak. In de orkest -bak gaf het Simon Bolivar Symphony Orchestra of Venezuela onder leiding van Gustavo Dudamel Latijns vuur aan de partituur van Bernstein maar hun vrij massieve klank had wat meer nuances kunnen gebruiken.
Als opera in concertvorm presenteerde het festival “Giulietta e Romeo” van Nicola Antonio Zingarelli (1752-1837) die in 1796 in Milaan gecreëerd werd en repertoire hield tot in 1830, geliefd door castraten als Girolamo Crescentini en diva’s als Giuditta Pasta of Maria Malibran. Het is een feit dat de partituur van Zingarelli de mogelijkheid biedt hun vocale en dramatische talenten te tonen. Zingarelli wordt dikwijls beschouwd als een van de laatste vertegenwoordigers van de grote Napolitaanse muzikale traditie maar zijn composities van het opera seria-type hebben uiteindelijk de tijd niet getrotseerd, dit in tegenstelling met de opera buffa werken van zijn tijdgenoten Paisiello en Cimarosa. Het libretto van Giuseppe Maria Foppa geeft een belangrijke rol aan de vader van Giulietta, Everardo, die haar verplicht met Tebaldo te trouwen. Er is geen broeder Lorenzo maar een zekere Gilberto die de twee vijandige families wil verzoenen en Matilde, een vriendin van Giulietta. De grote vocale momenten zijn vooral voor Romeo  die hier met vuur en grote virtuositeit vertolkt werd door de countertenor Franco Fagioli die overtuigde door zijn dramatisch engagement en vocale rijkdom. De mezzo Ann Hallenberg was de getormenteerde Giulietta met genuanceerde, expressieve voordracht. De tenor Bogda Mihai gaf de vastberadenheid van Everardo een krachtige, goed geleide tenor. Degelijke prestaties ook van Xavier Sabata (Gilberto), Juan Sancho (Tebaldo), Irini Karaianni (Matilde) en het mannenkoor Armonia Atenea. George Petrou leidde soli, koor en het orkest Armonia Atenea is een verzorgde uitvoering die echter wat dramatisch reliëf miste.
Dans staat ook geregeld op het programma van het Pinksterfestival en het was uiteraard niet moeilijk om een choreografie te presenteren geïnspireerd door de geliefden van Verona. Het  was Prokofievs “Romeo und Julia” in de choreografie van John Cranko, gedanst door het Stuttgarter Ballett. Dit prominent Duits gezelschap dat enigszins door Cranko werd gevormd, heeft niet ontgoocheld. Het kent uiteraard de stijl van de grote choreograaf als geen ander en het ballet uit 1962 in de sfeervolle, suggestieve decors van Jürgen Rose, heeft nog niets aan interpretatieve en dramatisch kracht ingeboet. Alicia Amatriain en Friedemann Vogel vormden een droomkoppel, Pablo von Sternenfels was een kwikzilveren Mercutio en het hele ensemble presteerde op hoog niveau. James Tuggle leidde het Mozarteumorkest met elan.
Voor het slotgala zat de Wiener Symphoniker op het toneel van het Grosses Festspielhaus. Onder leiding van de ervaren en inspirerende Marco Armiliato hebben ze composities vertolkt van Gounod, Tsjaikovski,Bellini, Zandonai, Rota en Prokofiev, die Romeo en Julia evoceerden. Maar het publiek wachtte natuurlijk vooral op het optreden van de sterren Angela Gheorghiu en Juan Diego Florez, vergezeld van de jonge tenor Benjami Bernheim. Met Gheorghiu heeft hij de madrigal uit “Roméo et Juliette” van Gounod vertolkt en als solist de aria van Romeo “Giulietta son io” uit “Giulietta e Romeo” van Zandonai. Bernheims timbre is niet het meest aangename en de stem mist nog wat soepelheid. Maar hij projecteerde zijn tekst voortreffelijk, wat niet van Gheorghiu kan gezegd worden! De diva, in weelderige avondjurken, had een lied van Nino Rota gecomponeerd voor de “Romeo and Juliet”-film van Franco Zeffirelli gekozen en vervolgens het duet “Va, je t’ai pardonné” uit Gounods “Roméo et Juliette” samen met Juan Diego Florez. De Peruviaanse tenor had reeds uit dezelfde opera “Ah, lève toi soleil” vertolkt en die nummers werden uiteraard het hevigst toegejuicht. Maar je kan je toch afvragen of Florez’ stem, hoe virtuoos ook, ideaal geschikt is voor dit repertoire. Maar uiteraard groot succes van een dol enthousiast publiek dat bisnummers kreeg:  Verdi’s “La donna e mobile” voor Bernheim, Zuidamerikaanse melodieën voor Florez (met gitaar) en een zuinige “O mio babbino caro” (Puccini) voor Gheorghiu.
Het thema voor de Pfingstfestspiele 2017 wordt : “Wonne der Wehmut” (Zalige melancholie) met onder meer “Ariodante” van Händel , “La donna del lago” van Rossini en een jubileumsconcert van Anne-Sophie Mutter.