Het is een moedige zet van Opera Vlaanderen om deze zelden opgevoerde opera seria van Gioacchino Rossini scenisch op het programma te zetten. Muzikaal heeft het operahuis alvast gescoord, maar de enscenering leverde een verloren match op.

Armida was de derde opera seria die Rossini componeerde voor het Teatro San Carlo in Napels, waar hij geëngageerd was door intendant Domenico Baraja. Hij creëerde er rollen voor zijn toekomstige vrouw Isabella Colbran, op dat moment zowat de topzangeres voor ernstige, dramatische partijen. Het verhaal is ontleend aan Gerusalemme liberata van Torquato Tasso. Rossini was lang niet de eerste componist die zich door dat verhaal inspireerde. Voor hem hadden ook Gluck, Haydn, Händel, Lully, Traetta, Jomelli – om maar deze te noemen – zich al op dat gegeven gebaseerd. De opera van Rossini ging in première op 11 november 1817. De bezetting was uitstekend, met de prima donna van het San Carlo theater, Isabella Colbran, als Armida, de enige vrouwelijke partij in het stuk. Hoewel de productie spectaculair was, bleef het succes matig. Misschien had Rossini te veel aandacht besteed aan de rijke orkestratie, waarmee hij wat opschoof naar de Duitse operatraditie, en dat waren de Napolitanen niet gewoon. Reeds de ouverture legt een verband met de dramatische inhoud van de opera. De essentie van de opera is hoe dan ook een vehikel voor vocale hoogstandjes.

Het verhaal speelt zich af tijdens de kruistochten naar het Heilig Land. De kruisvaarders, geleid door Goffredo, houden halt voor Jerusalem. De tovenares Armida overtuigt met haar verleidingskunst Rinaldo ervan om haar de troon van Damascus terug te schenken. Rinaldo is de leider van de kruisvaarders geworden en dit wekt de jaloezie op van Gernando. Als die Rinaldo en Armida betrapt tijdens hun liefdesverklaring, daagt hij Rinaldo uit en in een duel doodt Rinaldo zijn rivaal. Om aan zijn straf te ontsnappen, vlucht Rinaldo met Armida naar haar betoverd lusteiland. Maar zijn strijdmakkers kunnen hem overtuigen terug te keren naar het kamp. Vervuld van haat zet Armida met haar furiën de achtervolging in op de kruisvaarders.

Regie zonder duidelijk concept

De sportterminologie in de openingsparagraaf heeft alles te maken met de regie van Mariame Clément. De kruisvaarders uit de 11de eeuw voert ze op als waren het hedendaagse voetballers met nummers op hun T-shirt. Het decor van het eerste bedrijf is een stadion, met atletiekpiste. Behalve een referentie naar de macho-stoerheid van de krijgers, die tot doel hebben Damascus te heroveren voor prinses Armida, laat dit decor de toeschouwer alleen maar met vraagtekens achter. Ook bij de kostuums kunnen we vragen stellen: de sportieve outfit wordt vermengd met kruisvaarders in harnas en Goffredo is dan weer in hedendaags pak gekleed. De vermenging van kostuums is tekenend voor het hele regie-concept. Clément weet blijkbaar niet goed waarnaartoe: tragiek of de tragiek net belachelijk maken?

De beginscène, waar de gefrustreerde soldaten een opblaaspop verkrachten, is zo potsierlijk dat ze aan het begin van de voorstelling al meteen lijkt te waarschuwen dat de opera een dwaas verhaal is. De mascotte komt later in het derde bedrijf trouwens nog terug, als beeld van Armida: ook de liefde tussen Rinaldo en Armida is dwaas en bedrieglijk. Als ik in het interview met Mariame Clément in het programmaboek lees dat ze Armida “conceptueel een zeer moeilijke opera om te regisseren” vindt, besluit ik na het zien van de productie, dat ze er geen weg mee weet. Beter afblijven dan maar, zou ik zeggen!

Veel feeërieks is er in de magische wereld van Armida, waarin de verliefde Rinaldo terecht komt, niet te ervaren. Voor het tweede bedrijf, het meest lyrische, overheerst een grote sofa het decor als het liefdesnest waar Armida en Rinaldo hun liefdesduet zingen. Enkel het decor van het derde bedrijf kan met een bosrijke achtergrond enige sprookjesachtige magie evoceren. Daarin bespeuren we ook de enige geslaagde vondst van het stuk: de violist die als een Orfeus de liefde voor Armida lijkt te bezweren.

Muziek overtuigt

Gelukkig hebben we genoten van de muziek van Rossini. De zangers hebben ons vocaal kunnen boeien en het orkest sprankelde. Carmen Romeu is als Armida betoverend mooi en ze heeft een prachtige, volle stem. Zet ze die in haar openingsaria in het eerste bedrijf nog wat spaarzaam in, dan kleurt en varieert ze intens en vol dramatiek in het liefdesduet D’amore dolce impero in het tweede bedrijf. Na elke zeer mooie tussenkomst van een instrumentale passage (prachtige cello-solo!), verrast ze met nieuwe versieringen die ze moeiteloos in de melodie weeft. Zeer beheerst en zelfzeker, ook bij de woede-uitbarsting in het derde bedrijf. Een prachtprestatie van Carmen Romeu, die hier een ander soort personage ontvouwt dan de tedere Desdemona die we van haar hoorden in de Rossini-Otello (februari 2014).

Haar partner Enea Scala als Rinaldo geeft mooi weerwerk, met een heldere, lichte tenor die toch de gepaste dramatische kracht bezit. Zijn rivaal Gernando, de tweede tenor (Robert McPherson – de Jago uit diezelfde Otello van de Vlaamse Opera 2014), kleurt verschillend met knappe kopstem, maar ook zeer flexibel, en hun duel in de finale van het eerste bedrijf levert een heerlijk Rossiniaans twee-tenoren-moment op. Ook de kleinere partijen waren perfect bezet en het koor presteerde prima. Dat de orkestleden de éminence grise van de Rossini-opera op handen dragen, was er duidelijk aan te horen. Klonk de ouverture nog wat aarzelend en met een moeizame trompetinzet (premièrestress), eens op dreef kwam de muziek van Rossini in al zijn rijkdom tot leven.

Op de website van Opera Vlaanderen vindt u een korte video die een goed overzichtsbeeld geeft van de regie en een interessant interview – enkel in het Italiaanse – met maestro Alberto Zedda.