In elk van mijn werken ligt ergens een schaduw van jouw ziel. Dat schreef de oudere Janácek in een van zijn 700 brieven aan Kamila Stösslová. Janacek was 63 toen hij in 1917 de véél, véél jongere Kamila ontmoette. Zij was 26 en getrouwd; ook hij was gehuwd. Onmogelijk, not-done, en toch: hij ontwikkelde voor haar een passie die hem de resterende 11 jaren van zijn leven niet meer zou loslaten. Of die passie ooit vervuld geraakte, weten we niet echt. Het is ook van minder belang. Wél belangrijk is dat dit de drijfveer werd voor een reeks latere werken: de opera’s Katja Kabanova, Het sluwe vosje, De zaak Makropulos en zeker het tweede strijkkwartet “Intieme brieven” als een muzikaal testament en brandend vuur doorheen zijn nooit aflatende correspondentie met Kamila.

Die ganse periode opent met het sleutelwerk Uit het dagboek van degene die verdween; een cyclus van 21 liederen in de ongewone bezetting voor tenor, alt, mezzo, drie vrouwenstemmen en piano. Het kwam als een onmiddellijke steekvlam in de maanden nadat Janácek Kamila had ontmoet. Het is het verhaal van de boerenjongen Janicku en het zigeunermeisje Zefka, het verhaal van verlangen, liefde en verleiding, een verhaal van schuldbesef en ballingschap. En met dat laatste zitten we natuurlijk recht in de roos van het voorbije Klarafestival met het motto Home sweet home met het spanningsveld van ballingschap en identiteit. The Diary of one who disappeared (onder deze Engelse titel gepresenteerd) werd een heel speciale productie van het Muziektheater Transparant in een regie van Ivo Van Hove en met toegevoegde muziek van Annelies Van Parys. Janacek bood in dit werk al vele sleutels aan en Ivo Van Hove maakt er nog enkele bij. Hij verplaatst de handeling van veld en bos naar de studio van een oudere fotograaf die leeft tussen zijn foto’s en negatieven uit het verleden. Die oudere man, vertolkt door Hugo Koolschijn van de Toneelgroep Amsterdam, is de ontdubbeling van het hoofdpersonage en tegelijk de alter ego van de oude Janácek zelf. De jonge Britse stertenor Ed Lyon is het hoofdpersonage Janicku, de Franse mezzo Marie Hamard is zijn tegenspeelster Zefka en de Tsjechische pianiste Lada Valesová is de draad die hen allen verbindt.

Voorzichtig

Het verhaal wordt langzaam op gang getrokken met introductie van de vrouwelijke tegenspeelster en de pianiste. We voelen het fluïdum en de donker erotische spanning vanaf het begin, anticiperend op de liedcyclus van Janácek zelf. Zigeunerin Zefka, die bij Janacek slechts drie keer haar stem verheft (in het midden en het erotisch hoogtepunt van de cyclus), presenteert zich hier al vanaf het begin met een melancholisch lied, geënt op een Tsjechische melodie en ragfijn bewerkt door Annelies Van Parys. Muziektheater Transparant vroeg aan onze Vlaamse componiste om muzikaal te interfereren in de muziek van Janácek. Zij heeft dit gedaan met een reeks van 5 korte composities, in het begin voorzichtig en schroomvol aftastend, en verderop voluit haar eigen accent leggend met het uitspelen van de 3 vrouwenstemmen tegenover de protagonisten Janicku en Zefka. Het accent wordt vervrouwelijkt. Zefka wordt prominenter; ze verschijnt zelfs vóór Janicku ten tonele. Of is ze op dat ogenblik eveneens een alter ego voor Kamila, zoals de oude fotograaf voor Janácek?

Janicku duikt op: tenor Ed Lyon geeft een krachtige, getormenteerde vertolking van de eerste acht liederen die in ik-vorm het verhaal vertellen van de boerenjongen die het veld beploegt aan de rand van het elzenbos; daar wacht het zigeunermeisje dat bij hem een onweerstaanbaar maar ook schuldig verlangen opwekt. Flarden fotomateriaal doorkruiden de muzikale beelden van grond, akkers en bos. En van donker verlangen. Een muzikale interventie van Annelies Van Parys sluit dit eerste gedeelte af. Aanvankelijk voortspinnend in het idioom van Janácek introduceert ze het koortje van de 3 vrouwenstemmen op Tsjechische tekst en brengt er geleidelijk haar eigen kleur in.

Gemonteerde vlucht

Het centrale middendeel in Janáceks cyclus is de eigenlijke ontmoeting van Zefka en Janicku in duetten tussen mezzo en tenor met overschaduwende commentaar van het vrouwenkoortje. Hier wordt uiteraard in deze productie scenisch en zelfs cinematografisch sterk op gefocust. Tijdens het navolgende piano-solostuk dat Janácek hier inlaste draait een filmprojector, gericht op Zefka; fantasiebeelden tekenen zich op haar lichaam af. Een prachtige montage, met ja… wat aandacht afgehapt van Janáceks muziek. De volgende interventie van Annelies Van Parys is zonder piano: mezzo en 3 vrouwenstemmen glijden over elkaar heen in een idioom dat nu al heel ver verwijderd is van Janácek. De laatste reeks liederen, opnieuw enkel voor tenor en piano, leiden naar de heimelijke vlucht, weg van thuis en vaderland: Janicku volgt het zigeunermeisje en hun kind. Na het slot, het wanhopige afscheidslied S Bohem (Adieu, Vaderland), volgt, als laatste inbreng van Annelies, de desolate klacht “Niemand kan zijn eigen lot ontlopen” voor mezzo, het vrouwenkoortje en piano. Maar ook de spreekstem van Hugo Koolschijn mengt zich ertussen, wat, voor mij althans, een té melodramatisch cachet geeft. Misschien is het de manier waarop. Zoals ook de epiloog eerder een anticlimax is, een beetje zeemzoeterig en belerend: de liedcyclus is afgelopen; Janicku is weg, maar de oude Janacek blijft op het podium en verbrandt brieven van Kamila (wat in realiteit ook gebeurd is). Vervolgens dicteert hij zijn testament waarin hij de opbrengsten van de auteursrechten van een aantal werken aan Kamila Stösslová nalaat (wat in realiteit niet gelukt is; de weduwe van Janácek heeft er nadien een stokje voor gestoken!).

Ondanks deze ietwat anticlimax: het geheel was een pakkende confrontatie met mens en musicus Leos Janácek. De muzikale commentaren van Annelies Van Parys intensifieerden de verschillende etappes in de gebalde liedcyclus: aantrekking en schuwheid, passie en overgave, schuldbesef en vlucht. Zelf had ik een nog meer expliciete Annelies-commentaar verwacht in het middendeel. Achteraf bleek dat die ook voorzien was, maar uiteindelijk geschrapt werd. Jammer. Doodjammer.

Tenor Ed Lyon was schitterend, zowel scenisch als vocaal. Krachtig en overtuigend, soms wat hard in de hoogte. Eén lied heeft hij niet gezongen: Slécki sa zduihá, de klacht over de verloren onschuld. Dit liet hij over aan Hugo Koolschijn; een scenische ingreep, maar vocaal minder geslaagd. Ik weet niet of het hoefde. Ook alle lof voor mezzo Marie Hamard: accuraat, warm en passioneel, en bovendien een heel natuurlijke verschijning op het podium. Alle gezongen teksten waren in het Tsjechisch. Over de uitspraak van het Tsjechisch kan ik niet oordelen. De enige Tsjechische in het ensemble was de pianiste Lada Valesová. Ze zong niet, maar haar pianospel was meesterlijk. De gesproken dialogen waren in het Engels. Dat kon soms beter.