De voorstelling van Les Contes d’Hoffmann in de Nationale Opera kan je op zijn minst origineel noemen. En eigenzinnig. Bovendien bijzonder duister en eigenlijk deprimerend. Gelukkig is er de schitterende muzikale uitvoering, die de bizarre regie verteerbaar maakt en de opera-ervaring redt.

Tobias Kratzer wijzigt de kunstdiscipline van Hoffmann, die in de opera van Offenbach het verhaal doet van drie mislukte liefdes. Hoffmann is hier geen dichter maar een fotograaf. Verwijzingen in het libretto naar zijn poëzie slaan dan natuurlijk nergens op – maar dat is nog het minste. Elk verhaal krijgt in de opera van Offenbach zijn eigen bedrijf en zijn eigen muziekstijl. Elk verhaal loopt slecht af, want er is telkens de “duivelse” figuur die Hoffmann een hak zet en zijn (gefantaseerde?) verhaal fataal doet aflopen. Hoffmann heeft aan het begin van de opera zijn nieuwe hoop gesteld op de diva Stella, maar die is al even onbereikbaar als de vrouwen met wie hij in het verleden relaties heeft gehad – of ingebeelde relaties? De enige vrouw die hem doorheen de hele opera trouw blijft, is de (naamloze) Muze, de constante idee die een kunstenaar nodig heeft om zijn kunst te beoefenen.

Het decor van de opera maakt ruim gebruik van de reusachtige scène van de Nationale Opera die wel versnipperd wordt in een groot aantal kleine kamertjes. Eén kamer blijft altijd centraal staan en die vormt de grootste ruimte: de studio van Hoffmann met een reeks close-up foto’s. Van de Muze uiteraard. In die studio begint de opera ook, en niet in een taverne, waar Hoffmann wacht op de diva Stella. Dronken zijn roes uitslapend, ligt Hoffmann op bed. De Muze waakt bij hem. Ze ruimt de flessen op die Hoffmann met de studenten heeft uitgezopen. Die studenten komen binnen, dronken en sommigen coke snuivend. De Muze mag de opera inzetten met haar coupletten, gevolgd door het onzichtbare openingskoor dat de drank bezingt in een donkere gang onder die centrale kamer.

Hallucinant verhaal mist spanning

Vanuit die studio verplaatst het verhaal ons telkens naar de locatie van de opeenvolgende verhalen. Via een smal ventilatieluikje wordt de locatie van het Olympiabedrijf getoond, een geheimzinnig klein kamertje waar Spalanzani zijn technische pop ontwerpt. Het hele bedrijf creëert een mysterieuze, gluiperige sfeer, die overeenkomt met het bedrog dat zowel Spalanzani als Coppélius met hun schepsel Olympia plegen. De heerlijk dansende muziek past nauwelijks bij de toeschouwers die in de donkere gang onder de studio opeengepakt staan. Een van de kamertjes rond de studio is een minuscuul klein boudoir-achtig kamertje waar Hoffmann de liefde bedrijft met de pop, opgezweept door het ritme van de muziek. Olympia verliest haar ogen, aangesmeerd door Cochenille, en sterft. Maar als de pop vernield is, suggereert het eerstvolgende beeld terug in de studio dat Hoffmann Olympia ontmaagd heeft.

Ook de Antonia-akte laat de personages rondzwerven in kleine kale hokjes rondom de studio. Antonia wordt voorgesteld als een kostschoolmeisje die met Hoffmann aan de strengheid van haar vader probeert te ontsnappen. Maar ook hier is de duivelse Miracle spelbreker. Antonia gaat op zoek naar de magische stem van haar moeder, hier niet via een portret maar verrassend via een antieke grammofoon die ook weer in een piepklein kamertje opgesteld staat. Daarvoor heeft Antonia wel een zolderladder naar beneden moeten laten, wat een lachwekkend beeld oplevert. Na het eerste bedrijf is de verdeling in hokjes van de woning van Antonia zijn originaliteit al kwijt en begint het heen en weer rennen van de personages storend te worden. Dan komt nog het laatste bedrijf, waarvoor een gat in de muur van de studio gebroken wordt: de courtisane Giulietta moet op bevel van de duivelse Dapertutto Hoffmann van zijn schaduw beroven. Vergeet bij de barcarolle een kabbelende gondel op een golvend kanaal. Het bedrijf speelt zich af in de donkerste krochten van de prostitutiewereld, waar Hoffmann de illusie moet opgeven om Giulietta voor zich te winnen. Een bangelijke vertoning, bevolkt door perverse figuren.

De terugkeer in de studio voor het laatste bedrijf doet Hoffmann inzien dat de vrouwen enkel een obsessie waren en dat zijn enige bestemming de Muze is. Maar de conclusie vindt pas plaats na nog eens het zetten van een drugsspuit, waarmee de herhaling daarvan niet alleen vervelend is, maar ook een déjà-vu-effect heeft. De drie ongelukkige liefdes van Hoffmann kunnen je eigenlijk geen barst schelen.

Misschien is de initiële bedoeling van Tobias Kratzer om het verhaal van Hoffmann met zijn surreële inhoud in een hedendaagse kunstenaarsscène van drank en drugs te plaatsen nog te begrijpen, maar hij is er wel wat te voortvarend mee omgesprongen. Misschien had soberheid in de uitbeelding van Hoffmanns traumatische ervaringen meer effect gehad. Het mozaïekachtige waarvoor Kratzer kiest, versplintert ook de sfeer, zodat je niet in spanning meegaat in de hallucinatie van Hoffmann. De gesproken dialogen zijn tot enkele korte tussenkomsten beperkt.

Weelde van klank

De muziek is gelukkig een weelde van klank. Niet te verwonderen met het schitterende Rotterdams Philharmonisch Orkest in de bak onder leiding van Carlo Rizzi. Er gaat geregeld meer drama uit van de lyrische violen en zinderende celli dan van de scène. Het orkest speelt levendig en kleurrijk, maar als de situatie het vereist ook subtiel en teder. Het ritme is stuwend en meeslepend. Ook de zangers zijn uitstekend. John Osborn zingt met heldere tenor en veel engagement zijn uitputtende partij. Een ideale Hoffmann. Erwin Schrott bevestigt zijn engagement als super-acteur in de vier duivelse partijen. Met zijn diepe bas-baritonstem zet hij elke situatie meesterlijk in de verf en hij geniet duidelijk van zijn slechterikenrol die culmineert in een super-helse Scintille diamant. Bij de dames zet Irene Roberts als de Muze/Nicklausse haar volle en empathische mezzo in en wint met haar vertolking de sympathie. De drie “geliefdes” zijn ideaal bezet, met elk hun eigen karakter voor de vrouw die ze uitbeelden: frêle en soepele coloratuur voor Nina Minasyan, lyrisch en innemend voor Ermonela Jaho, verleidelijk en uitdagend voor Christine Rice. Ook de vele andere partijen zijn knap bezet. Het publiek in Amsterdam kon de voorstelling duidelijk smaken.


  • WAT: Jacques Offenbach (1819-1880) | Les Contes d’Hoffmann
  • REGIE: Tobias Kratzer
  • STEMMEN: John Osborn, Irene Roberts, Erwin Schrott, Nina Minasyan, Ermonela Jaho, Christine Rice, François Lis e.a.
  • ORKEST: Rotterdams Philharmonisch Orkest, Koor van de Nationale Opera o.l.v. Carlo Rizzi
  • WAAR: De Nationale Opera, Amsterdam
  • WANNEER: zondag 24 juni 2018
  • CREDIT FOTO’S: © Baus