De blikvanger van het slot van het seizoen 2015-16 van de Weense Staatsopera was het debuut “in loco” van de gevierde sopraan Anna Netrebko als Manon Lescaut, een rol die ze onlangs aan haar repertoire toevoegde. De Oostenrijks-Russische diva heeft reeds de heldin van Abbé Prévost vertolkt in de opera van Massenet maar evolueert nu naar een vocaal meer dramatisch repertoire.

Vooraleer haar vertolking in een concertante versie van de opera van Puccini in de Salzburger Festspiele te presenteren in augustus (met haar echtgenoot de tenor Yusif  Eyvazov als Des Grieux), zong ze in Wenen de rol in de bestaande productie van de Staatsoper onder de muzikale leiding van Marco Armiliato die haar ook in Salzburg zal dirigeren.

De Italiaanse maestro is een specialist van dit repertoire dat hij in de grootste operahuizen dirigeert en presenteerde met het uitstekend orkest van de Staatsopera (de Wiener Philharmoniker) een energieke en genuanceerde vertolking van Puccini’s dramatische partituur. De productie van “Manon Lescaut” van de Weense Staatsopera dateert van 2005 en is een realisatie van Robert Carsen (regie en belichting) en Antony McDonald (decor en kostuums). Het is beslist niet de best geslaagde productie van de Canadese regisseur, erg verschillend van de opvoering die zijn opmerkelijke Puccini-cyclus van de Vlaamse opera inluidde en die later ook in de Parijse Opéra te zien was. De Weense versie , gesitueerd in een “shopping mall” rond de jaren 2000 is niet erg geloofwaardig, functioneert ook niet echt en mist compleet atmosfeer. Dus is het de taak van de zangers om ons in hun verhaal te betrekken en met hen te laten meevoelen. En gelukkig zijn de protagonisten daar grotendeels in geslaagd. Anna Netrebko is een spontane Manon, geloofwaardig als het niet zo schuchtere jonge meisje dat het avontuur waagt, de sensuele jonge vrouw en verleidelijke sirene en de vertwijfelde geliefde. Haar ruime, soepele, fluwelen sopraan met warm timbre dient Puccini voortreffelijk en haar genuanceerde zang en etherische piani zijn een feest. Niet te verwonderen dat de afgeladen zaal haar een ovatie bracht. Marcello Giordano is een reeds wat rijpere maar geëngageerde des Grieux en een geloofwaardige partner voor Netrebko. Hij zingt met een soliede tenor met heldere topnoten maar zou meer schakeringen  mogen aanbrengen. De wraakzuchtige Geronte van Wolfgang Bankl had de allure van een gevaarlijke maffioso met een donderende stem. David Pershall was een eerder bleke Lescaut en Carlos Osune (Edmondo die in de Carsen-versie dit personage ook met de vocale partijen van de dansmeester en de lantaarnopsteker combineert ) was druk doende op het toneel maar vocaal niet echt prominent.

Indien “Manon Lescaut” reeds (in een Duitse vertaling) op de affiche van de Staatsoper staat sinds 1923 en sinds 1964 in de originele Italiaanse versie, dan werd de “tragédie-opéra” van Gluck “Alceste”, sinds 1885 op het repertoire van de Staatsoper in een aangepaste Duitse bewerking, pas in 2012 voor het eerst in het Frans opgevoerd . Voor de herneming dit seizoen in een enscenering van Christoph Loy (een coproductie met het festival van Aix-en-Provence en het Kongelige Teater van Kopenhagen) had Wenen Christophe Rousset en zijn orkest “Les Talents Lyriques” uitgenodigd . De specialisten van dit repertoire hebben de partituur van Gluck mooie, wisselende kleuren gegeven en Rousset vinnige tempi, aangepast aan de dramatische evoluties in een krachtige lezing vrij van maniërisme maar vol spanning. Véronique Gens was een koninklijke en menselijke Alceste, ontroerende echtgenote en moeder, heroïne en slachtoffer. Haar slanke stem en zijden timbre voldeden wonderwel aan de eisen van de partituur die ze met grote intensiteit vertolkte. Joseph Kaiser was een wat afstandelijke Admète in maatpak, zong correct maar miste enigszins overtuiging. Adam Plachetka presenteerde een gemoedelijke Hercule met volle  bariton en Clemens Unterreiner was een strenge, dreigende, vocaal sterke Grand Prêtre. De andere rollen waren degelijk ingevuld en de stemmen van het Gustav Mahler Chor klonken mooi en homogeen. De koorleden participeerden   blijkbaar gewillig aan de betwistbare regie van Loy die hen als kinderen voorstelt in kleine jurkjes en korte broeken met niet zelden een eerder belachelijk resultaat. Loy wou, zoals hij zelf zegt, Alceste en Admète dichter bij ons brengen en Alceste als een moeder niet allen van haar beide kinderen maar van het hele volk voorstellen. Dus is het hof van Thessalië, gesitueerd in en kale witte kamer, (decor Dirk Becker) een kroostrijk gezin met kinderen die wenen en pret maken, door de Grand Prêtre (een protestante dominee) berispt worden, geschenken  krijgen van de goede oom Hercule en zich verkleden als Apollo, de deus ex machina, die voor een happy end moet zorgen. Maar is er een happy end? Christoph Loy schijnt er niet in te geloven.