Auber is helemaal geen onbekende componist in de Opéra Royal de Liège Wallonie. In 2009 werd er Fra Diavolo (1830) opgevoerd en naar aanleiding van de Manon-trilogie in 2016 diens Manon Lescaut (1856). In samenwerking met de Parijse Opera Comique komt nu een toenmalig successtuk aan bod dat al te lang als bestofte partituur in de vergetelheid raakte: Le Domino Noir. Gans ten onrechte.

In zijn lange leven schreef Daniel François Esprit Auber (1782 — 1871), leerling van Cherubini, ca. vijftig werken (voornamelijk opéras comiques) tussen 1805 en 1869. Hij vormde de schakel tussen de opéra-comique van het begin van de 19de eeuw en de opéra lyrique van de jaren 1850-60 en was de meester van de muzikale esprit français. Betrekkelijk vroeg in zijn carrière schreef hij La Muette de Portici (1828) en twee jaar later Fra Diavolo. Er wordt vaak beweerd dat de Grand Opéra zijn ontstaan vond in Guillaume Tell van Rossini, maar eerstgenoemde opera van Auber is er een typische uiting van en een jaar ouder. Ten onrechte zijn diens grotere werken alsook andere kleinoden in de vergetelheid geraakt. Zo is het interessant Gustave III ou Le bal masqué (1833) te vergelijken met Un Ballo in Maschera van Verdi, dat op hetzelfde libretto gebaseerd is.

Le Domino Noir is een opera-comique in drie bedrijven; de première dateert van 2 december 1837. Het libretto werd geschreven door de beroemde auteur Eugène Scribe (1791 — 1861), Auber’s langjarige tekstschrijver die een hele schrijffabriek leidde en dé meester van het pièce bien faite was. Deze opera was een topper gedurende de ganse XIXde eeuw en kende de 1209ste opvoering in 1909, even succesvol als Mignon van Ambroise Thomas (ca. 1200 opvoeringen in 1900). Daarna werd het nog sporadisch opgevoerd in Parijs (tot 1935) en in de Franse provincies (tot 1940), maar kende wel meer succes in Duitsland als repertoirestuk (Der schwarze Domino) van de Spieloper, net zoals Fra Diavolo. In België werd de opera opgevoerd in Luik, Brussel en Antwerpen in 1838 met een reprise in Antwerpen in 1931. In het algemeen werd de opera-comique geïnspireerd door vaudevilles, volkstheater en chanson, de stijl dient licht en virtuoos te zijn. Deze elementen zijn voldoende aanwezig in onze opera. Hispanismen, Spaanse referenties, ontdekken we ook, cfr. de ronde aragonaise in de tweede acte (La belle Inès fait florès); tevens bemerkt de musicloog Rodney S. Edgecombe muzikaal-technische invloeden van deze opera in La Traviata. Eigenlijk is deze opera als parodie (op aristocratie en kerk) eveneens een voorloper van Offenbach.

Het verhaal speelt zich af in Madrid in 1780 of 1837. Angèle de Olivarès is een jonge aristocratische novice die zich verkleedt om incognito deel te nemen aan een bal georganiseerd door de koningin van Spanje. Hier gaat ze beslist naar toe en vertrekt uit het klooster in gezelschap van Brigitte de San Lucar. Om haar identiteit te verbergen draagt ze een zwart semi-masker (domino). Op hetzelfde bal ontmoette ze een jaar geleden de knappe edelman Horace de Masserena die op haar verliefd werd, maar die ze poogt te weerstaan. In verwarring verlaat Angèle het feest en komt terecht in de woonst van Comte Juliano, vriend van Horace, waar huishoudster Jacinthe de plak zwaait. Nog meer verwarring wordt gecreëerd. De derde acte: het klooster. Angèle wil haar eeuwige geloften afleggen en abdis worden. Maar de koningin beslist anders en ze mag trouwen en de bruidegom wordt zoals te verwachten Horace. Haar rivale voor de post van abdis, Ursule, wordt tot ontzetting van de andere nonnen abdis. Er komen heel wat verwikkelingen en misverstanden bij te pas, maar alles kent een goed einde. De geïnteresseerde liefhebber kan libretto en partituur op internet raadplegen (https://archive.org/details/imslp-domino-noir-auber-daniel-franois-esprit). Op cd is de opera slechts in twee gecoupeerde opnames te beluisteren. Vooreerst een echt Franse versie uit 1950 met Janine Micheau, Joseph Peyron en Liliane Berton o. l. v. Jules Gressier (Line Music Cantus Classics) en vervolgens een recentere met Sumi Jo (die in Luik in Fra Diavolo optrad) en Isabelle Vernet o. l. v. Richard Bonynge uit 1995 (Decca Eloquence).

De muziek van deze opera dient licht, maar niet lichtvoetig en melodieus elegant te zijn. Het is geen sinecure om alle fijnzinnige aspecten van de partituur correct te interpreteren. Tevens dienen de zangers ook goede acteurs te zijn want er zijn heel wat gesproken dialoogscènes in dit genre opera. De enscenering en decors in Luik (Valérie Lesort, Christian Hecq, Laurent Peduzzi) waren modern met originele vondsten, vooraal in het eerste (met het uurwerk) en laatste, derde bedrijf (klooster). In het tweede bedrijf was er een “levend” speenvarken en in het derde levende beelden hetgeen door het publiek zeker gesmaakt werd. De kostumering (Vanessa Sannino) verdiende eveneens de aandacht, vooral voor de protagoniste en Jacinthe. Deze robuuste meid van comte Juliano werd energiek gespeeld en gezongen door Marie Lenormand. Haar vrijer, de kloosterkoster Gil Perez gespeeld en gezongen door Laurent Kubla was eveneens en opmerkelijke verschijning net zoals de Brigitte van Antoinette Dennefeld en Juliano gezongen door François Rougier. Dit kwartet bracht heel wat animo in het verhaal. De hoofdrolspelers, Angèle (Anne-Catherine Gillet) en Horace (Cyrille Dubois) konden onze aandacht geboeid houden bij het toneelspel. De muziek van Auber werd correct gezongen en de nuances vonden we terug waar ze thuishoorden in de aria’s en duo’s. Patrick Davin dirigeerde het orkest met vaste hand en de toehoorder kon onder zijn deskundige leiding heel wat genieten van Auber’s lyrisme en melodieën. Het koor geleid door Pierre Iodice geniet van zijn jarenlange ervaring en vertrouwdheid met de Franse opera en bracht een fraaie prestatie.

Het enthousiaste publiek genoot ten zeerste van een ontspannende avond met fijne melodieën, deskundige acteer- en zangprestaties en apprecieerde het verhaal. De opera-comique verdient niet in de vergetelheid te geraken en vormt een operagenre dat ook nog in de 21 ste eeuw onze aandacht trekt. Dit is een grote verdienste van de Opéra de Wallonie en verdient navolging.


  • WAT: Le Domino Noir
  • WIE: Daniel François Esprit Auber (componist); Anne-Catherine Gillet, Cyrille Dubois, Antoinette Dennefeld, François Rougier, Marie Lenormand, Laurent Kubla; koor en orkest van de Opéra Royal de Wallonie, Liège o.l.v. resp. Pierre Iodice en Patrick Davin; Valérie Lesort en Christian Hecq (enscenering), Laurent Peduzzi (decors), Vanessa Sannino (kostumering).
  • WAAR: Liège, Opéra Royal de Wallonie
  • WANNEER: Vrijdag 23 februari 2018 — voorstellingen: 27 februari, 1 en 3 maart, later in Parijs (Opera Comique)
  • Foto: © Lorraine Wauters – Opéra Royal de Wallonie-Liège