In  februari 1843 ging in de Scala van Milaan de 30 jarige Verdi zijn nieuwe opera I Lombardi in première. Hij componeerde het werk in navolging van het enorme succes dat Nabucco kende. Later herschreef hij de opera voor Parijs met een sterk aangepast libretto, in het Frans, en in 1847 kende Jérusalem zijn première.

Het is een verhaal van mislukte broedermoord, liefde en jaloersheid, hardvochtige rechtspraak en uiteindelijke verbinding van twee vijandige graafschappen die via het dan toch gelukte huwelijk verenigd worden. Ziedaar de boodschap van Verdi en zijn librettisten: Italië moet één worden, gedaan met de onderlinge vendeta’s, verzoening maakt ons, Italianen, sterker. U moet weten dat Giuseppe Verdi niet alleen musicus, maar ook politicus was en een voorvechter was voor de eenmaking van Italië. Via een aantal van zijn opera’s heeft hij die politieke drijfveer ook vorm gegeven, onder meer in deze opera Jérusalem. Meteen drukt hij er ook op dat iedereen een goede christenmens moet zijn en dat was of gemeend of gewoon wat overdreven gedoe om de opera zo goed als ongeschonden door de toen zeer strenge censuur te krijgen.

Vergane glorie herleeft

Hoe dan ook, de opera verloor zijn glorie en werd een zo goed als stille onbekende in de latere 20ste en onze huidige 21ste eeuw. De redenen zijn allicht muzikaal. Deze opera is niet Verdi’s grootste meesterwerk. Veel koren die uitbundig moeten zingen, met de solisten die alles er moeten uitpersen en dat met een orkest waar de kopers de grens van de voor het oor verdraagbare decibels aftasten. Ook de aria’s zijn niet de grote hoogvliegers, de ouverture is eerder zwak en de balletmuziek – de Parijzenaars eisten een ballet – past niet echt in het geheel. Je hebt onmiddellijk door dat Verdi met ballet geen grote voeling had. Meer voeling had hij zeker met de Franse taal want niet één accentje ligt fout en ligt muzikaal vlot in het oor. Ook de Franse opera moet hem niet vreemd geweest zijn want nogal wat elementen zijn erg muzikaal Frans en minder Italiaans wat jammer is want die delen zijn fletser. Ik heb zo een stil vermoeden dat Verdi met deze opera vooral het gemakkelijkere succes zocht in Parijs met de nodige financiële inbreng voor zijn persoonlijke kassa. Ach ja, waarom niet als het publiek dat perse zo graag wilde?

In elk geval, de opera zijn succes is niet blijven duren en zodanig zelfs dat voor alle uitvoerders in de Opéra Royal de Wallonie alles moest ingestudeerd worden vanaf de partituur. Met veel enthousiasme gooide operadirecteur Steffano Mazzonis di Pralafera zich op de productie. Hij vond in dirigente Speranza Scappucci een ideale partner om dit werk in te studeren en op de planken te brengen. Ze was snel te vinden om Jérusalem te dirigeren. Op de piano maakte ze haar met deze opera vertrouwd zodat ze met de vereiste detailkennis het orkest, koor en de solisten kon in balans brengen om een productie neer te zetten die tussen de oren zou nazinderen. Mazzonis oude vriend Paolo Isotta schreef voor de gelegenheid een boekwerkje over deze opera. Meer dan lezenswaardig en ik beveel het aan te lezen. Paolo Isotta is zowat de bekendste musicoloog van Italië en schreef jaar en dag muziekrecensies voor de bekende krant Corriere della Sera. Nu hij ‘op rust’ is, heeft de man boeken te lezen en te schrijven en een van die boeken is: Jérusalem, Verdi et la persécution de l’honneur.

Hoe klonk het en hoe zag het er uit?

Een première heeft altijd dat ‘iets’ wat ze dikwijls net iets minder kan maken dan de volgende opvoeringen. Deze keer was zowat het eerste kwartier muziek een zoektocht naar de juiste invulling. Het orkest zette te zwak in en ontbrak durf waardoor de al niet zo fantastische ouverture voor mij in het water viel. Ook het liefdesduet werd instrumentaal niet voldoende ingevuld. Zonde, maar zoals het verhaal van deze opera alles goedmaakt, kwam het orkest op beide voeten terecht en werd het er altijd maar beter op zodat we na een uurtje een zeer goed orkest hoorden, zeker in de vele tutti’s met de rijke kopers en diepe cello’s. Wat heeft Verdi vele donkere kleuren gebruikt in deze opera.

Het koor, deskundig geleid door Pierre Iodice, heeft een zware taak, het moet veel fortissimo zingen in veel koorpartijen. Gelukkig gaat het er zo nu en dan ook rustig en heel ingetogen aan toe. Denk maar aan de lijdende vrouwen die ingetogen bidden voor de Maagd Maria. Soms overstemde het orkest in zijn enorme volle dubbele fortissimo het koor. Mij leek de dirigente in die veeleisende passages wat overmoedig. Ja, Italiaans vuur!

Bijzonder knap was over heel deze uitvoering de belichting. Een extra applaus mag er af voor Franco Marri die zeer precies de juiste kleurschakkeringen wist naar voor te toveren en ook het licht erg mooi doceerde, nooit te veel of te weinig. Het was een verrijking voor het eenvoudige multifunctionele decor waar de zuilen ingezet werden via een ingenieus systeem als rotsen en heuvels in de woestijn. Voor Jean-Guy Lecat mag een open deurtje in deze ook wel.

En dan de kostuums: je zou ze moeten bekijken met een vergrootglas, kunstwerken op zich van de hand van Fernand Ruiz. Voor de regie stond opnieuw operadirecteur Mazzonis in. Hij is wat dat betreft door de wol geverfd, maar moet toch wat opletten om niet routineus te worden.

Een tegenvaller was de choreografie van Gianni Santucci. De verhaallijn heeft hij er wil ingewerkt, maar op een dwaze, drukke en soms zelfs ‘boertige’ wijze. Daar Wallonië geen balletgezelschap heeft – tijd dat er een komt ! – werd er auditie gehouden voor wie wilde dansen. Het resultaat gaf onervaren balletdansers (misschien wel hiphoppers want ze waren zeer soepel) die geen aandacht gaven aan de houding van handen, armen, benen, voeten. Volgende keer moet dat beter.

Opvallende solisten

De tenor Marc Laho (de jonge Gaston) kende een grote rolbeleving en hij groeide ook in de uitvoering. De aanzet was iets minder, maar ik ben er zeker van dat de zwakke orkestinzet daar zijn rol in speelde. Hoe dan ook, hij haalde alles uit de kast en met heldere stem verwende hij het publiek.

Een zeer sterke rolbeleving kregen we van Elaine Alvarez (Hélène). Deze rondborstige sopraan was een en al wie ze moet zijn: de diepverliefde en trouwe Hélène die alles op alles stelt voor haar Gaston. Wat een emoties wist zij naar boven te roepen in haar aria’s. Eén en al buikgevoel, zo hebben we het graag.

Roger, broer van de graaf van Toulouse (de broedermoordenaar) werd prachtig vertolkt door de bas Roberto Scandiuzzi. Zowel de intonatie, de kracht van de stem en het acteren maken hem tot een van de betere bassen voor het Italiaanse repertoire. De Brusselse zanger, bariton Ivan Thirion (amper gekend in Vlaanderen) heeft een palmares om U tegen te zeggen en dat is ruim verdiend. Als Graaf van Toulouse, vader van Hélène en ‘vermoorde maar toch niet dood zijnde en op wraak beluste man’, zong hij aangrijpend. Ook de kleinere rollen zoals die van de afgezant van de paus Adémar de Montheil, gezongen door Patrick Delcour, de schildknaap van Gaston in rol gezet door tenor Pietro Picone en de gezelschapsdame Isaure van Hélène – sopraan Natacha Kowalski, waren allemaal heel mooi passend in het geheel. Zelfs de kleine bijrolletjes deden aan niets afbreuk, wel integendeel.

Over het algemeen mogen we spreken van een vlotte productie met enkele zwakheden die na de première al zullen weggewerkt zijn en dus over heel de lijn – los van het ballet – door iedereen gesmaakt kan en zal worden.


  • WAT: Giuseppe Verdi (1813-1901) – Jérusalem
  • WIE: dirigent: Speranza Scappucci, regie: Stefano Mazzonis di Pralafera, decor: Jean-Guy Lecat, kostuums: Fernand Ruiz, belichiting: Franco Parri, choreografie: Gianni Santucci, koorleiding: Pierre Iodice, koor en orkest van de Opéra Royal de Wallonie
  • SOLISTEN: Marc Laho, Elaine Alvares, Roberto Scandiuzzi, Ivan Thirion, Pietro Picone, Natacha Kowalski, Patrick Delcour, Victor Cousu, Benoît Delvaux, Alexei Gorbatchev, Xavier Petithan
  • WAAR & WANNEER: Opéra Royal de Wallonie, Luik, première 17 maart 2017
  • FOTO’S: © Lorraine Wauters – Opéra Royal de Wallonie