De Nationale Opera in Amsterdam presenteert de typische eindejaarsopera Hänsel und Gretel van Engelbert Humperdinck. Wie niet vertrouwd is met de huidige generatie illustratoren voor kinder- en prentboeken zal misschien wat vreemd opkijken, maar Lotte de Beer speelt alle kaarten uit van haar bizarre spel. Het levert een fantastische voorstelling op!

Dat de regisseur eerder dit jaar in Nederland door het tijdschrift Viva geselecteerd werd als de winnaar van de VIVA400 in de categorie ‘Creatieven’, kan na het zien van deze voorstelling niet verwonderen. De jury verantwoordde haar keuze zo: “Operaregisseur Lotte de Beer maakt opera toegankelijk voor iedereen en doet dat op een leuke, kleinschalige en openhartige manier.”

Van vuilnisbelt naar snoepberg

De voorstelling start op een reusachtige vuilnisbelt, (weliswaar “proper”) gemaakt van alle dagdagelijkse kleinigheden die in een huishouden in de vuilnisbak terechtkomen. Daarop wordt van een reusachtige kartonnen cornflakesdoos het huisje “gebouwd” waarin Hans en Grietje op de thuiskomst van hun ouders wachten. In de verbeelding waarmee Lotte de Beer speelt, kan het niet zomaar rechtop staan, maar is het een gekanteld huis. Zo zit de voorstelling vol met creatieve details die nu eens grappig, dan weer fijnzinnig zijn, maar steeds de aandacht gaande houden.

In het derde bedrijf, als Hans en Grietje door het dauwmannetje gewekt worden, zijn ze niet in een écht bos, maar in een bos van een dicht stedelijk weefsel met skyscrapers en drukke wegen en verlichtingspalen: een als videoprojectie getoonde hedendaagse plek om te verdwalen. Toch wordt met een minuscule dennenboom ook naar het sprookje verwezen. Het peperkoekenhuisje is een snoepgoedberg van nu bestaande merken chocoladerepen, koekjes en chips, waaronder achter bangelijke tralies kinderen gevangen zitten. De heks wordt op een geestige en weer eens goed gevonden manier in een schouw geduwd, en verdwijnt in flink oplaaiende vlammen.

Realiteit en verbeelding

Heel af en toe wordt de videoprojectie wat overdreven, zoals in de scène op het einde van het tweede bedrijf waar de kinderen in slaap vallen en er altijd maar meer bedden geprojecteerd worden. Hoe schattig de kinderen ook zijn, het is van het goede te veel en het breekt het authentieke van de melancholie. Op de rand van de scène zitten vaak ook kinderen die naspelen (of voorspelen?) wat er in de sprookjeswereld van Hans en Grietje gebeurt. Zo verbindt de regie op een speelse manier voortdurend het verleden met het heden, de realiteit met de verbeelding.

Verwijzingen naar een hedendaagse realiteit zitten er ook in de voorstelling van de personages. Zo wijst Lotte de Beer in het arme gezin van de bezembinder en zijn vrouw fijntjes op het risico van huiselijk geweld. Als Peter in het eerste bedrijf dronken thuiskomt, maakt de regie subtiel duidelijk dat hij zijn vrouw niet ontziet. En de travestierol van de Knusperhexe (Peter Hoare) leunt bij momenten helemaal aan bij een uitdagende drag queen die zelfs even gaat paaldansen! De voorstelling is een moderne weergave van een sprookjeswereld die totaal ontsnapt aan het zeemzoeterige, zoals trouwens ook het geval is in de originele versies van de Grimm-sprookjes.

Zangers als mascotten

De protagonisten zien eruit als mascotte-achtige poppen: heel inventief. En aanvankelijk is het bijna niet te geloven dat er onder die maskers en kostuums echte zangers schuilgaan. Zeer goede zangers dan nog. Het koppel ouders vertolkt door Thomas Oliemans en de “grande dame” van de Nederlandse sopranen, Charlotte Margiono, leefden zich moeiteloos in hun partij in. De ook Nederlandse Lenneke Ruiten – in 2013 bejubeld in de Munt als Ophélie in Hamlet van Ambroise Thomas – zong de mooie aria’s van Gretel als een regelrechte coloratuursopraan, zo frêle en puur. Ze had een evenwaardige partner in de Amerikaanse mezzo Kate Lindsey. Ze speelden de vrolijke passages vol enthousiasme en hun duetten – bijvoorbeeld op het einde van het tweede bedrijf – waren ontroerend mooi. De fijn geciseleerde, superhoge, maar nooit ijle stem van de Vlaamse Hendrickje van Kerkhove zweefde, net als haar personage, over de scène: een ideaal Zand- en Dauwmannetje.

Bruisend en ontroerend orkest

Marc Albrecht, chef-dirigent van de Nationale Opera, dirigeerde met grote spontaneïteit en toch zeer nauwgezet het Nederlands Philharmonisch Orkest. De inleiding en de tussenspelen maakten duidelijk dat hij zich absoluut thuis voelt in grote symfonische frasen, zoals hij in het interview in een van de afleveringen van Bloed, zweet en aria’s – een documentaire over de Nationale Opera op NPO 2 – vertelde. Het orkest bloeide open, de dansen bruisten en in de slotpassage klonk het orkest samen met de koren gewoonweg aandoenlijk, als een religieus kerstlied.

Een heerlijke voorstelling, in een wonderlijke en fantasierijke regie waar groot en klein kon van genieten, gekoppeld aan een fijnzinnige vertolking van de heerlijk melodieuze, romantische partituur. Benieuwd hoe de aanpak van de Muntschouwburg zal zijn in de semi-scenische voorstelling van de opera die ook nu net voor kerstmis te zien is in Bozar. Ook dat belooft bijzonder origineel te zijn.