Als oplossing voor de voorstellingen van Engelbert Humperdincks Hänsel und Gretel buiten het operahuis koos de Muntschouwburg voor het podium van de Henry Le Boeufzaal. De theatrale aanpassing kan op zijn minst inventief genoemd worden, al leverde het geen ideale operavoorstelling op.

Het Symfonieorkest van de Munt zat op het podium, dat daarmee overvol was, want Humperdinck maakt gebruik van een groot symfonisch orkest. Een scène voor de zangers was er niet en zij zongen zoals bij een concertante voorstelling in (zwarte) concertkledij voor het orkest: een sobere oplossing die de personages nauwelijks visueel herkenbaar maakte – misschien niet makkelijk voor de jongeren, voor wie deze voorstelling toch ook bedoeld was. Enkel de theatrale actie van Dietrich Henschel (de vader Peter) en Georg Nigl (Knusperhexe) sprak – zelfs in hun zwart pak – echt wel tot de verbeelding. Als pluspunt voor Henschel wil ik meteen opmerken dat hij de enige zanger was die zijn partij zonder partituur zong, waarmee hij zich uiteraard een grotere vrijheid verschafte om iets van zijn rol te maken.

Poppentheater als schaduwspel

Voor het visuele aspect zorgde Manual Cinema. Hun manier van theater maken, herinnerde mij het meest aan wat ik ooit in mijn jeugd bij het Tsjechische Laterna Magika ontdekte, een theater dat in Praag nog steeds bestaat. Op een groot cinemascherm achter het orkest projecteerde Manual Cinema beelden die nu eens leken op een animatiefilm (bijvoorbeeld tijdens de ouverture), dan weer op een schaduwspel, waarbij de personages als poppen op het scherm in vaak leuke (de grappige vlechtjes van Gretel), maar steeds schematische bewegingen en houdingen afgebeeld werden. De schaduwprojecties van de personages werden met beelden uit de natuur gekaderd: bomen, sterren, de bezems van de heks, vogels – vooral de vogels vond ik het leukst. De visuele uitbeelding, dikwijls geslaagd sprookjesachtig, viel ook te veel in herhaling. De beeldenvloed die tijdens de ouverture de honger en armoede van het gezin moet suggereren, was veel te druk. Eens de personages opduiken, was het beeldverhaal best leuk, maar het filmisch procedé bood weinig samenhang met de zangers.

De zangers waren zo perfect gecast, dat het jammer was hen niet in een scenische voorstelling te zien. De twee kinderen werden door twee mooi gedifferentieerde stemmen vertolkt: Gaëlle Arquez (Hänsel) en Talia Or (Gretel). De fijne, hoge stem van Or zorgde voor een kippenvelmoment als ze aan het begin van het tweede bedrijf het kinderliedje “Ein Männlein steht im Walde” (wél van buiten) zong. Dietrich Henschel vertolkte met zijn prachtige diepe baritonstem heel overtuigd de vader en liet alle nuances van zijn partij horen. Natascha Petrinsky was een ideale moeder en de stemkunstenaar Georg Nigl ging zo op in zijn akelige Knusperhexe dat hij op de rand van overacting balanceerde. Waarschijnlijk kan geen acteur/zanger zo akelig krijsend lachen als hij deed. Ilse Eerens was met haar soepele sopraan een fijn zand- en dauwmannetje.

Lothar Koenigs had het orkest stevig onder controle. Alles was mooi gespeeld, maar toch miste de orkestrale uitvoering feeërieke sfeer. Op enkele passages na: bijvoorbeeld als de kinderen het peperkoekenhuisje ontdekken. Dan zinderden de diepe strijkers spannend-geheimzinnig!

Een voorstelling met pluspunten, maar toch vooral als een noodoplossing tijdens dit “Extra Muros”-seizoen te waarderen.