Voor het seizoen “Extra Muros” maakte de Muntschouwburg een dappere keuze om de zelden opgevoerde en nauwelijks bekende opera van Gaspare Spontini, La Vestale te programmeren.

De bekendste opera over een vrouw die geprangd zit tussen religieuze plicht en ongeoorloofde liefde is ongetwijfeld Bellini’s Norma. Julia in La Vestale is een iets minder complexe figuur – want bijvoorbeeld enkel priesteres en geliefde en geen moeder – maar Spontini creëert ook een bijzonder tragische figuur.

La Vestale, tragédie lyrique

Spontini is van eenvoudige afkomst en krijgt zijn muzikale opleiding dank zij een mecenas. Aangezien Italië op dat ogenblik nog het centrum van de opera buffa is, schrijft Spontini eerst een aantal komische opera’s. Als hij dertig jaar is, vertrekt hij naar Parijs en wordt hofcomponist en kapelmeester bij keizerin Joséphine. Het Empire had een componist nodig die de verheerlijking van het Napoleontische keizerrijk zou uitdrukken. Zijn Parijse partituren hebben nog nauwelijks iets met zijn Italiaanse opera’s te maken. Geen coloratuuracrobatieën meer, maar vooral drama in de stijl van Gluck. In het geboortejaar van Spontini, 1774, was in Parijs Iphigénie en Aulide in première gegaan, de eerste reformopera van Gluck. La Vestale werd gecreëerd in Parijs in december 1807. Spontini’s Franse opera’s maakten hem tot een van de belangrijkste operacomponisten van zijn tijd. Ze worden als voorlopers gezien van de grand opéra. De opera Les Troyens van Berlioz is zonder Spontini niet denkbaar en ook Richard Wagner werd door hem beïnvloed.

La Vestale speelt zich af in het antieke Rome waarvoor Napoleon zo’n grote bewondering had en bevat feestelijke optochten en ceremonies. De heldhaftigheid van de soldaten en veldheren wordt bezongen, naast de erediensten van priesters en priesteressen. Julia vertegenwoordigt de deugd van de antieke priesteres en het pathos van het conflict tussen liefde en plicht. Ze is geen sentimenteel operapersonage, maar een heldin van de “tragédie lyrique”. Geen wonder dat het eind jaren 1950 Maria Callas is die het personage terug leven inblies en waarschijnlijk dank zij haar kwam de opera –zij het beperkt en in de Italiaanse versie – terug in het repertoire terecht.

Eenvoud dient de essentie

Nadat we in het Koninklijk Circus met Donizetti’s Elisir d’Amore een geslaagde uitgelaten productie van de populaire buffo-voltreffer te zien kregen is de toon dit keer sereen en statisch. Dat stemt helemaal overeen met de inhoud van het drama. De moderniteit van regisseur Eric Lacascade bestaat in zijn keuze om met eenvoudige middelen de ruimte van het Circus efficiënt te benutten om de essentie van het stuk weer te geven: plicht tegenover liefde. Of iets uitvoeriger: de vlam voor de godin Vesta levend houden tegenover de bedreiging van de liefde door de krijgers van Licinius. Geen pompeuze toestanden à la Grand Opéra in deze voorstelling, evenmin gezochte actualisering van de politieke context of de feministische rebellie. Geen verwijzing naar welke fundamentalistische religie ook. Maar de vastberadenheid van Julia om zich te verzetten tegen de gedwongen religieuze plicht en haar bezetenheid in haar liefde, komen in de uitgepuurde setting over als een universeel gegeven. De emoties van angst, hoop en obsessie worden door de zangers met sobere choreografie en mimiek aangrijpend weergegeven. Het ballet is gecoupeerd, in de context van deze productie een logische beslissing. Het koor en de personages komen vanuit de toegangspoorten van het circus naar het podium. Dat podium is leeg, de coulissen zijn zwart, net zoals de kledij van de soldaten van Licinius en van de koorleden, die tot het volk behoren. De priesteressen zijn in het wit. Ze hebben allemaal een rosse pruik, alsof die hoort bij de ge-uniformeerde kledij van de priesteressen. Ook Julia, die als ze beseft dat ze veroordeeld is, haar pruik afwerpt en er met haar korte grijze haar als een krijgsgevangene uitziet. De enige rekwisieten die tijdens de voorstelling op de scène staan, zijn tafels en banken (voor de feestelijke ceremonie) en de koker waar de vlam voor de godin in brandt. Julia wordt op een soort schavot gevangen gezet en met grote schilden ingesloten. Eenvoudig maar suggestief, vooral omdat de muziek uitstekend werkt!

Janus-dirigent

Het orkest zit op een kleine halve ronde voor het podium met de rug naar het publiek. Zichtbaar, wat de muzikale uitvoering extra spannend maakt. De muziek doet nu eens Gluckiaans aan, dan weer bijna romantisch als Berlioz. De marsen bij de optochten krijgen felle crescendi, de confrontaties tussen de protagonisten zijn intiem. De dirigent speelt een dubbelrol: soms staat hij naar zijn muzikanten gericht (en dus met het gezicht naar het publiek), maar geregeld en zeer soepel draait hij naar het podium, waar zangers of koor hem nodig hebben. Het is een vreemd gezicht maar Alessandro de Marchi heeft alles perfect onder controle! Dank zij zijn meesterlijke beheersing van de muziek van Spontini sleept hij de toeschouwer mee in het verhaal. Zijn bewegingen zijn scherp en precies, zijn blik is zo betrokken dat je de tragiek van het verhaal er haast van afleest. Als deze partituur van Spontini op die manier gespeeld wordt, is het verwonderlijk dat ze niet meer geprogrammeerd wordt. Alessandro de Marchi is er een bezield verdediger van en zijn intensiteit straalt af op zijn muzikanten. Wat een verschil met de “speeltijd”-vertolking door het orkest bij Donizetti’s Elisir d’Amore!

La Grande Vestale beheerst de cast

Alexandra Deshorties is net een maatje te klein voor de veeleisende partij van de vestaalse priesteres. De dramatiek van de partij doet haar stem overslaan naar te schreeuwerige hoge – lang aan te houden – noten. Ze beleeft haar personage overtuigend, maar kan ze vocaal net niet aan. Haar “overste”, La Grande Vestale, daarentegen had in Sylvie Brunet-Grupposo een gedreven vertolkster die van bij haar grote aria in het eerste bedrijf, “L’amour est un monstre barbare”, overweldigde met een zuivere en tegelijk krachtige stem. Ook Yann Beuron ontgoochelde enigszins als de geliefde Licinius. Zijn stem is blijkbaar naar een zwaarder timbre geëvolueerd en was niet altijd even zuiver. Hij klonk alsof hij zijn rol zonder innerlijke overtuiging zong. De kleinere partijen van Cinna en de hogepriester waren daarentegen uitstekend bezet (Julien Dran, Jean Teitgen).

Een voorstelling die bewijst dat de Munt er goed aan gedaan heeft La Vestale van Spontini eens vanonder het stof te halen.