Een van de ambities van Alexander Pereira, de Oostenrijkse “Sovrintendente” en artistiek directeur van de Scala van Milaan is met geregelde tussenpauzen die werken opnieuw op de affiche te zetten die in de Scala werden gecreëerd maar ondertussen enigszins in de vergetelheid zijn geraakt.  

Dat is onder meer het geval voor “La cena delle beffe” (Het maal van het bedrog) de opera van Umberto Giordano (de componist vooral bekend  door “Andrea Chénier”) die op 20 december 1924 met groot succes gecreëerd werd onder leiding van Arturo Toscanini. Het “poema drammatico” in vier bedrijven op een libretto van Sam Benelli werd vlug internationaal opgevoerd, ook in de Metropolitan van New York  o.m. met Beniamino Gigli en Titta Ruffo. Maar na een tweede reeks in de Scala in december-januari 1925/1926 verdween “La cena delle beffe” in Milaan van de affiche om nu pas 91 jaar later opnieuw aan bod te komen. Het libretto van Benelli is gebaseerd op zijn gelijknamig toneelstuk dat in 1909 in Rome in première ging en heeft een sterk literair-dramatisch niveau. De handeling speelt zich af in Florence ten tijde van Lorenzo il Magnifico en vertelt het bloedige verhaal van Giannetto Malespini die zich wil wreken op  de broeders Neri en Gabriello Chiaramentesi die hem belachelijk maakten en mishandelden. Alle drie zijn ze verliefd op Ginevra, de maitresse van Neri. Op vraag van Lorenzo il Magnifico organiseert Tornaquinci een diner om de drie te verzoenen maar het loopt helemaal anders af.
Giannetto steelt de kleren van Neri, laat hem voor gek doorgaan en neemt, onherkend, zijn plaats in Ginevra’s bed in. Neri, geholpen door een vroegere geliefde Lisabetta, weet te ontkomen en wil zich op Giannetto en Ginevra wreken. Te laat realiseert hij zich dat hij niet Giannetto maar zijn broer Gabriello gedood heeft en wordt nu echt krankzinnig.
De regisseur Mario Martone heeft, met succes,  het hele verhaal van Florence naar een maffia-milieu in een  Amerikaans “Little Italy” uit de jaren dertig verplaatst. Het diner heeft plaats in een restaurant dat het middenstuk vormt van het ingenieuze, beweegbare en suggestieve decor van Margherita Palli, sfeervol belicht door Pasquale Mari. Boven het restaurant  zien we de woning van Ginevra  verschijnen, er onder in de kelders worden de afrekeningen van het milieu georganiseerd. Niets ontbreekt om de juiste atmosfeer te scheppen, zelfs de auto die de klanten voor de deur van het restaurant afzet, is er en alle figuren zijn goed getypeerd ook dank zij de kostuums van Ursula Patzak. De handeling is dramatisch goed opgebouwd, de masturberende kamermeid buiten beschouwing gelaten, en Martone heeft een verrassing bewaard voor het einde. Plots verschijnt Lisabetta met een paar met mitraillettes gewapende vriendinnen en samen schieten ze iedereen neer. Een indrukwekkend slot!
Caro Rizzi leidde het schitterende orkest van de Scala door Giordano’s  kleurrijke, dikwijls compacte partituur, melodisch en vol passie, ritmisch verhalend en veeleisend voor de zangers. Marco Berti is niet de grootste acteur maar vocaal beheerste hij de partij van Giannetto  op schitterende manier en zijn heldere tenor kliefde door de orkestrale massa. Maar enkele nuances waren welkom geweest. Nicola Alaimo gaf Neri duistere klanken en vocale waardigheid en was scenisch ook overtuigend. Kristin Lewis was de verleidelijke Ginevra, “femme fatale” maar tegelijkertijd schuldbewuste vrouw en zong met ruime sopraan. Jessica Nuccio gaf Lisabetta zuivere, ontroerende sopraanklanken. Leonardo Caimi (Gabriello), Luciano Di Pasquale, (Tornaquici),  Bruno De Simone (Dottore), Frano Lufi (Fazio) en de rest van de bezetting deden het prima.
 Niet alleen directeur Alexander Pereira heeft ambities wat de programmering betref. Dirigent Riccardo Chailly, sinds januari 2015  “direttore principale” en vanaf januari 2017 muziekdirecteur van de Scala van Milaan  heeft zich als doel gezet alle opera’s  van Puccini in het Milanese operahuis te dirigeren. Dit seizoen is “La fanciulla del West”  aan de beurt, Puccini’s “western” die er sinds  januari 1995 niet meer opgevoerd werd. Oorspronkelijk zou Graham Vick het werk ensceneren maar blijkbaar was zijn redelijk ver van het origineel verwijderde interpretatie niet naar de zin van Riccardo Chailly die niet van plan is alle mogelijke fantasieën van regisseurs toe te laten. Dus werd beroep gedaan op Robert Carsen, de bekende internationaal gelauwerde Canadese regisseur die destijds in de Vlaamse opera een Puccini-cyclus realiseerde. Het was dus zijn versie die in juni 1996 in Gent in première ging, die nu enigszins aangepast, op het toneel van de Scala te beleven was. Carsen houdt zich ook niet strikt aan het originele libretto maar verraadt het niet. Zijn “Fanciulla” wordt de film “The Girl of the Golden West” met het, alleen in een film mogelijke,  happy end. Het blijft een boeiende interpretatie in de door Carsen, Luis Carvalho en Petra Reinhardt  aangepaste decors en kostuums van Paul Steinberg, sfeervol belicht door Carsen en Peter Van Praet. Zoals gewoonlijk bij Carsen, zijn de personages goed getekend en de koorevoluties virtuoos. Niets dan lof voor het indrukwekkende mannenkoor van de Scala dat grandioos zong en acteerde. Dat de interactie tussen de protagonisten niet helemaal hetzelfde niveau haalde, lag zonder twijfel aan het feit dat de titelrolvertolkster Barbara Haveman praktisch zonder repetities was ingesprongen voor de zieke Eva-Maria Westbroek en duidelijk meer oog had voor de dirigent dan voor haar partners. Die vervanging van de titelrolvertolkster was ook de reden dat we niet de aangekondigde “echte” Fanciulla te horen  kregen, namelijk de originele versie van Puccini’s partituur zonder de aanpassingen die Toscanini er voor de première in de Newyorkse Metropolitan in 1910 had in aangebracht en die sindsdien ook in de partituur zijn afgedrukt. In totaal zou het om zo’n 124 maten gaan inclusief een kort duet tussen Minnie en Billy Jackrabbit. Maar dat kon Barbara Haveman niet meer instuderen. Dat zal dus voor een volgende keer zijn! Vocaal trok de Nederlandse sopraan zich vrij goed uit de slag en liet vooral haar stevig hoog register mooi openbloeien maar het was duidelijk dat ze de rol en de enscenering nog aan het aftasten was. Roberto Aronica was een degelijke Dick Johnson met heldere, krachtige tenor maar weinig charisma. Claudio Sgura zette een prima sheriff Jack Rance neer met grote scenische présence en een snedige bariton. Alle overige, kleinere partijen waren voortreffelijk ingevuld met een speciale vermelding voor de Nick van Carlo Bosi en de Sonora van Alessandro Luongo. Riccardo Chailly liet Puccini’s boeiende partituur volledig tot haar recht komen in een duidelijk liefdevolle interpretatie,  liet de rijke orkestratie schitteren en gaf de zangers alle mogelijkheden om de mooie, grote vocale lijnen uit te bouwen. Het orkest volgde hem op hoog niveau.