Dit jaar stonden er zes opera’s op het programma van het festival van Aix-en-Provence  dat liep van 3 tot 22 juli. Er waren vijf scenische producties en een opera in concert : Jevgeni Onegin door soli, koor en orkest van het Bolsjoi-theater van Moskou o.l.v. Tugan Sokhiev.

Wereldcreatie van Pinocchio

Het festival werd geopend met de wereldcreatie (een opdracht van het festival)  van Pinocchio (2017) de laatste opera van de Belgische componist Philippe Boesmans op een libretto van Joël Pommerat naar Carlo Collodi, die het personage presenteert zonder enige sentimentaliteit. De rollen zijn toevertrouwd aan zes zangers die verschillende pakjes aantrekken en tot leven komen dank zij een directeur van een theatergezelschap die tevens het verhaal vertelt. Het is  de bariton Stéphane Degout  die dit personage gestalte geeft en dat doet met een opmerkelijk meesterschap en de gesproken en gezongen delen afwisselt met een voorbeeldige tekstprojectie en foutloze vocale vertolkingen. Van de 23 taferelen met wisselende situaties van zijn toneelstuk  (plus een pro- en een epiloog) heeft Joël Pommerat een libretto gedistilleerd dat Philippe Boesmans voorzien heeft van een aangename en vloeiende partituur voor een beperkt orkest dat dialogeert met de musiciens de la troupe die aan de handeling deelnemen: Fabrizio Cassol (saxofoon en improvisatie), Philippe Thuriot (accordeon) en Tcha Limberger (zigeuner viool). In zijn muzikale taal vindt men de ruime muzikale en lyrische  erfenis van Boesmans terug en er zijn ook tal van reminiscenties.  Zo herinnert de Fee die enigszins over Pinocchio waakt en poogt hem op het juiste pad te houden met haar virtuoze, etherische zang aan haar collega uit Cendrillon van Massenet. Er zijn ook onverwachte citaten zoals Connaistu le pays uit Mignon van Ambroise Thomas, met een tekst weliswaar  aangepast aan de omstandigheden. En Boesmans kan ook doen lachen bv wanner hij het tweede deel laat inleiden door een heerlijk vals spelende fanfare. Joël Pommerat was zijn eigen regisseur in sobere maar suggestieve decors en belichting van Eric Soyer, kostuums , grime en pruiken van Isabelle Deffin en video van Renaud Rubiano. Hij toont ons een vrij eigenaardige en sombere wereld  en laat de handeling ongeveer de dag van vandaag verlopen. De “directeur de la troupe”  heeft een verminkt gezicht en Pinocchio is een ledenpop met een eerder afstotelijke witte snoet …voor hij verandert in een  leuke jongen. Alleen de Fee, vanop haar metershoge witte crinoline, roept in zekere zin een wereld van dromen en fantasie op. De episode met de walvis is visueel het best geslaagd. De zangersbezetting – die ook vanaf  5 september Pinocchio zal vertolken in de (eindelijk) heropende Muntschouwburg in Brussel – is uitstekend. Chloé Briot zet een over de hele lijn overtuigende Pinocchio neer. Marie-Eve Munger leent haar kristalheldere sopraan aan de stratosferische vocale wandelingen van de Fee. De andere zangers vertolken allen meer dan een rol en doen dat met allure en geloofwaardigheid. Vincent Le Texier is een ontroerende vader en belachelijke schoolmeester. Yann Beuron leent zijn talent en mooie tenorstem aan vijf verschillende figuren. Julie Boulianne gaat zonder problemen van de rol van de enigszins aangeschoten cabaret-zangeres over in  die van de brutale leerling. En de formidabele Stéphane Degout combineert met zwier de rollen van theaterdirecteur, een oplichter en een moordenaar. Emilio Pomarico dirigeerde de musici van het Klangforum Wien  in een uitvoering vol charme met mooie muzikale lijnen en kostbare timbres.

Carmen

De enscenering van de nieuwe productie van Carmen(1875) was toevertrouwd aan Dmitri Tcherniakov die natuurlijk zijn eigen versie van de opera van Georges Bizet naar de novelle van Prosper Mérimée   gepresenteerd heeft en daarbij hoegenaamd geen rekening heeft gehouden met de structuur en de tekst van het libretto en de muzikale dramaturgie van de opera. De gesproken dialogen waren praktisch allemaal geschrapt en de Spaanse context volledige geëlimineerd. De opera begint niet het de voorzien muzikale “Prélude” maar met een gesproken prelude  door een man  (blijkbaar de directeur van een kliniek) die aan een man aankondigt  “dat men hem om therapeutische redenen de mythische geschiedenis van Carmen zal laten “her-spelen” in de hoop de subversieve kracht en de expressieve macht ervan opnieuw te activeren.” De hele opera speelt zich dan af in een grote zaal met beige marmeren wanden  en donkerbruine lederen zetels (decor Dmitri Tcherniakov). De man, die nu Don José geworden is, stemt willens nillens toe . Het personeel van de kliniek verdeelt de rollen onder zich en indien nodig kan een geluidsopname ingeschakeld worden (kinderkoor). De echtgenote van de man wil ook bij het spel betrokken worden en stelt zich voor als Micaëla. De aria’s, duo’s en ensembles  volgen elkaar op maar de dramaturgische continuïteit en samenhang gaat meer dan eens verloren bij gebrek aan verbindende dialogen. En wat te denken van het belachelijk maken van het duet “Parle-moi de ma mère”? Maar als het verhaal van “Carmen” is afgerond en de directie al met een grote bloemenruiker klaar staat om zijn patiënt te feliciteren, blijkt die helemaal geen baat bij de therapie gehad te hebben, wel integendeel. Fascinerend theater? Misschien wel maar ten koste van de “Carmen” van Bizet. En dat aanvaard ik niet! Ik geef graag toe dat de opvoering uitstekend geregeld was  (jammer van twijfelachtige “extra’s” zoals de smileys en vooral het binnenstormen van zwaar gewapende politie) en dat de regie van zangers en koor overtuigend was, binnen Tcherniakovs concept uiteraard.  De bezetting engageerde zich volledig in het project aangevoerd door Stéphanie d’Oustrac die een Carmen met klasse neerzette, een vrije en vastberaden vrouw, sexy maar nooit vulgair, zelfs vol medeleven (in de Tcherniakov-versie) en vocaal stralend en expressief. Michael  Fabiano gaf zich lichaam en ziel aan deze interpretatie van Don José, een rol die hij meer met dramatische kracht dan vocale schoonheid vertolkte. Elsa Dreisig schonk haar rijke, homogene sopraan aan Micaëla die ze ook veel tederheid gaf. De Escamillo van Michael Todd Simpson was een elegante man zonder vocale glans. Goede prestaties van Gabrielle Philiponet (Frasquita), Virginie Verrez (Mercédès), Christian Helmer (Zuniga), Pierre Doyen (Morales), Guillaume Andrieux (Dancaïre), Mathias Vidal (Remendado), het koor Aedes en het kinderkoor Maîtrise des Bouches-du-Rhone. Pablo Heras-Casado leidde het Orchestre de Paris met veel elan en passie, een weelderige klank, soms  wat ten koste van een subtiel spel van timbres, maar met een  mooie dramatische spanning.

Don Giovanni

Het festival van Aix-en-Provence beschikt over drie theaters voor zijn opera-opvoeringen. Indien Pinocchio en Carmen het toneel van het Grand Théâtre de Provence bezetten, dan keerde Don Giovanni  (1787) terug naar het Théâtre de l’Archevêché  waar in 1949 de legendarische opvoeringen plaatsvonden in de decors van het théâtre de Cassandre dat vervolgens tot 1973 als kader zal dienen voor de opera-opvoeringen van het festival. Jean-François Sivadier was de regisseur van de nieuwe productie in decors van Alexandre de Dardel, kostuums van Virginie Gervaise en licht van Philipp Berthomé. Geen evocatie van Sevilla maar een lege en kale theaterscène met daaromheen wachtende acteurs die een voor een aan het drama beginnen deel te nemen, historische kostuums aantrekken , die het Spanje van Goya oproepen, en zich in de loop van de voorstelling ook weer uit die kostuums zullen losmaken. De tonelen volgen elkaar op  zonder problemen op een voortdurend veranderend toneel  (gordijnen, belichting) met  levendige herinneringen aan wat voorbij is en vertolkers die zich in verschillende gedaantes tonen (de pruiken van Don Giovanni!). Soms is er overdaad maar met een Don Giovanni die er dikwijls bijloopt als een losgeslagen adolescent, is dit te verklaren. De andere personages hebben de vertrouwde  profielen en we kunnen zelfs kennis maken met de cameriera van Donna Elvira die de aandacht trok van Don Giovanni en op het menu van zijn laatste festijn zal staan! Geen hellevaart voor Don Giovanni bij Sivadier maar een eerder eigenaardig einde:  quasi naakt en bijna als een Christusfiguur staat hij rechtop in een kring van licht alvorens in een in een wilde dans los te barsten . Blijkbaar sterft Don Giovanni nooit… De jonge Canadese bariton Philippe Sly gaf zich ten volle over aan deze interpretatie, liep, sprong en achtervolgde de dames met een onverzadigbare honger. Zijn mooie, vrij licht getimbreerde stem kon dreigend en verleidelijk zijn, naar wens. Nahuel di Pierro was zijn trouwe Leporello, komisch en  sympathiek en zong met een stem met een warm timbre en een mooie tekstprojectie. De Don Ottavio van Pavol Breslik had niet veel karakter maar zijn beide aria’s werden met soepelheid, stijl en mooie pianissimi gezongen. Donna Anna vond in Eleoora Buratto een vertolkster met temperament en emotie en een elegante Mozart-zangeres. Isabel Leonard gaf adel en vuur aan Donna Elvira, een partij die ze met een goed beheerste stem zong. De charmante en guitige Zerlina van Julie Fuchs was een pareltje van gratie en vocale schoonheid. Krzysztof Baczyk was een degelijke Masetto en David Leigh gaf de Commandatore autoriteit en een sonore basstem. Mooie prestaties van het koor English Voices en het orkest Le Cercle de l’Harmonoe. Jérémie Rhorer gaf ons een levendige en soepele Mozart met de nodige en gewenste dramatische accenten. Hij was een aandachtige begeleider van de zangers en gaf de opvoering  de juiste vaart.

The Rake’s progress

Voor The Rake’s progress (1951) zat het Orchestre de Paris in de orkestbak onder leiding van Elvin Gullberg Jensen die Daniel Harding (gekwetst aan de pols) verving. Samen hebben ze leven gegeven aan de neo-klassieke  partituur van de opera van Stravinski  met zijn scherpe ritmes en zijn meer lyrische momenten met mooie orkestrale tussenkomsten onder meer van de blazers. Maar de orkestrale uitvoering bleef toch enigszins in de schaduw van de scenische opvoering die meer theatrale kracht en présence had. Het moet gezegd dat de enscenering van Simon McBurney en zijn equipe (Michael  Levine decors, Christina Cunningham kostuums, Paul Anderson licht, Willi Duke video en Leah Hausman choreografie) zeer levendig en suggestief was en het verloop van de handeling ritme gaf. Het toneel was in zekere zin ingesloten in een grote doos van wit papier. Projecties op de wanden  illustreerden de verschillende handelingsplaatsen (van een idyllisch landschap in het groen, over stadbeelden en luxueuze interieurs  tot de witte muren van het waanzinnigengesticht ). Nick Shadow dringt binnen in de wereld van Tom Rakewell door een opening in een wand te scheuren : de weg is vrij voor de jonge man om zijn carrière als losbol te beginnen. In de loop van de volgende scènes zal de doos van boven tot onder steeds meer scheuren krijgen. Tot slot vinden we Tom ineen gehurkt in een hoek van deze verminkte wereld die hij tevergeefs poogt op te lappen. Het is een originele formule die werkt vooral dank zij de suggestieve, illustrerende video-projecties . In dit kader dirigeert Simon McBurney de actie en de personages op handige en doeltreffende manier. Een grote bravo voor het koor (English Voices) en de acteurs-figuranten die de verschillende scènes leven en tempo geven. De protagonisten hebben duidelijk getekende profielen en nemen ons zonder problemen in hun wereld op. Anne Trulove, het jonge meisje dat Tom oprecht liefheeft maar door hem vergeten wordt, leidt de opvoering in en rondt ze ook enigszins af. Julia Bullock geeft haar frisheid, vastberadenheid en emotie en een zuivere en genuanceerde zang met een goed geleide maar iets te zwakke  sopraanstem. Paul Appleby leent zijn gezonde en expressieve tenor aan Tom Rakewell wiens evolutie hij goed schetst tot aan de waanzin toe. De diabolische Nick Shadow vindt een overtuigende vertolker in Kyle Ketelsen met een snedige basbaritonstem die  misschien wat zwarter zou mogen zijn. De beslissing om de rol van Baba the Turk aan een countertenor te geven is te verdedigen  maar niettegenstaande de  goede, vermakelijke vertolking  van Andrew Watts, denk ik toch dat een mezzo-sopraan beter bij dit personage past. Goede prestaties van David Pittsinger (Trulove), Alan Oke (Sellem), Hilary Summers (Mother Goose) en Evan Hughes (verpleger en dubbel Nick Shadow). Deze productie zal met dezelfde bezetting ook te beleven zijn in de Nederlandse Nationale Opera in Amsterdam in februari 2018.

Erismena

Het was het Théâtre du Jeu de Paume dat Erismena (1655) een dramma per musica van Cavalli ontving in een productie van het festival van Aix-en-Provence en zijn Académie… Jean Bellorini (regie, decors en licht) heeft de vrij complexe handeling die Meden, Armenen en Iberiërs (na een vijandige confrontatie) verenigt in een verhaal van geroofde kinderen en verborgen identiteiten, gesitueerd op een nagenoeg leeg toneel met uitzondering van een  gerasterd platform dat in alle richtingen op en neer beweegt en kantelt om zo de verschillende handelingsplaatsen  voor te stellen.   Door zijn goed uitgedachte en vlotte personenregie voert hij ons door dit labyrint van relaties en gevoelens van tien personages, koning, prinsen, knechten, slaven, krijgers, voedster enz…zeer kleurrijke figuren (letterlijk) door de absurde, kitscherige en schreeuwlelijke  kostuums van Macha Makeïeff. Gelukkig  engageren de vertolkers zich ten volle, is hun interactie vlot en de zijn de stemmen mooi terwijl het orkest de Capella Mediterranea, met gloed gedirigeerd door Leonardo Garcia Alarcon, de handeling omarmt, ondersteunt en voorwaarts drijft met een warme en dynamische klank. Francesca Aspromonte is Erismena, de in de steek gelaten geliefde die zich als man voordoet en soldaat wordt om haar trouweloze minnaar te volgen om uiteindelijk te ontdekken dat ze de dochter van koning Erimante is. Volledig geloofwaardig  als personage drukt ze haar smart en uiteindelijk geluk uit met een expressieve en soepele stem. Haar rivale Aldimira heeft de lichtere stem, de virtuoze zang en de koketterie van Susanna Hurell. Lea Desandre geeft de gezelschapsdame Flerida vooral een goede scenische présence. De twee aanbidders van Aldimira hebben de mooie contrasterende countertenor-stemmen  van Jakub Jozef Otlinski (Orimeno) een virtuoze zanger en Carlo Vistoli (Idraspe) die ook kan ontroeren. Alexander Miminoshvili geeft zijn jonge bas-bariton aan de oude koning Erimante en Stuart Jackson is een fysiek indrukwekkende voedster met scherpe stem. Andrea Bonsignore (Agrippo), Tai Oney (Clerio Moro) en Jonathan Abernethy (Diarte) vullen de bezetting aan met zwier en goede stemmen.


  • WAT:  Festival Van Aix-En-Provence
  • WANNEER: 3 tot 22 juli 2017
  • Foto’s: ©Festival Aix-En-Provence