Deze zomer presenteerden de Bayreuther  Festspiele voor het derde jaar de productie van “Der Ring des Nibelungen”  in een enscenering van Frank Castorf en gedirigeerd door Kirill Petrenko. Het is het laatste jaar dat Petrenko, de Generalmusikdirektor van de Bayerische Staatsoper van München (en de onlangs benoemde nieuwe chef-dirigent  van de Berliner Philharmoniker) ,dirigeerde, een gelegenheid die je niet mocht laten voorbijgaan.

Petrenko is de voornaamste troef van deze Ring die sedert zijn première in 2013 heel wat melomanen in het harnas joeg door de interpretatie die Frank Castorf van de tetralogie presenteerde. Daardoor zouden, naar het schijnt, voor het eerst in de recente geschiedenis van het festival, niet om kaartjes voor de Ring gevochten zijn. Het vertrek van Petrenko die verkoos de vijfjarige cyclus van een Ring-productie niet te voltooien, zou daaraan ook niet vreemd zijn. Hij zal opgevolgd worden door Marek Janowski, een onverwachte naam aangezien deze dirigent al enkele jaren geleden besliste geen opera-opvoeringen meer te dirigeren uit onvrede met  de uitspattingen van veel hedendaagse operaregisseurs. En wat dat betreft wordt hij met de Ring-enscenering van Frank Castorf rijkelijk bediend!

Dat “Der Ring des Nibelungen” van Wagner zich tot tal van interpretaties leent, is een feit. Dat er een politieke boodschap in kan gevonden worden eveneens zoals  ook parallellen met onze hedendaagse wereld absoluut mogelijk zijn. Maar het uitgangspunt blijft de dramaturgie gevormd door de tekst en de muziek van Wagner, die men beslist niet volledig kan negeren. Frank Castorf is blijkbaar bekend voor de manier waarop hij de werken die hij ensceneert “deconstrueert” en in zijn versie van de Ring blijft niet veel over van de mythische en ideologische wereld van Wagner. Je begrijpt waar hij naartoe wil: petroleum is vandaag dé bron van rijkdom (daarom speelt “Das Rheingold” zich af in een pompstation), de financiële wereld heeft de echte macht in handen (daarom vormt  de gevel van de New Yorkse Stock Exchange een deel van het decor van “Götterdämmerung”), de “goden” zijn dikwijls charlatans of mensen zonder enige moraal (Wotan versiert de ene vrouw na de andere), seksualiteit ontploft … Maar dit alles resulteert in een irriterende en tegelijk onbenullige en domme opvoering (krokodillen in “Siegfried”) dikwijls vulgair en bovendien met referenties naar de geschiedenis van Duitsland en locaties in Oost- en West-Berlijn die niet altijd zo duidelijk zijn voor een niet-Duits publiek. De personenregie is over het algemeen vrij virtuoos alhoewel niet altijd erg  duidelijk en dikwijls te druk. Daarenboven voegt Castorf er voortdurend  projecties aan toe, close ups van protagonisten of gefilmde scènes die dikwijls het toneelbeeld volledig domineren ten nadele van de live vertolkers op scène. De decors voor de vier opera’s, ontworpen door Aleksandar Denic, zijn indrukwekkend, opgebouwd op een voortdurend draaiend plateau, en  vol trappen en stellingen die de zangers de hele tijd op- en aflopen. Misschien het ondertussen best bekende beeld van deze scenografie is het decor van “Siegfried” dat het National Memorial van Mount Rushmore in Amerika voorstelt maar waarin Washington, Jefferson, Roosevelt en Lincoln vervangen zijn door Marx, Lenin, Stalin en Mao, de iconen van het communisme. En natuurlijk rijden  er ook auto’s over het toneel. Dat hoort er vandaag nu eenmaal bij! De kostuums van Adriana Braga Peretzki vermengen tijdsperiodes en stijlen (Fricka als Cleopatra, Donner als cowboy), goede en slechte smaak.

Maar gelukkig is er Petrenko en het schitterend orkest van het festival die het oor geven wat het oog dikwijls tevergeefs zoekt. Vanaf de eerste maten van “Rheingold” scheppen ze een magische, muzikale wereld die je omhult in een rijke en genuanceerde klank, een vloeiende en poëtische uitvoering waarin ook passie en haar plaats heeft en waaraan geen temperament ontbreekt. De tempi zijn juist, de “Leitmotive” spreken en roepen op wat  de scenische actie negeert (“gesprek” tussen Siegfried en de woudvogel). Je hoort de passie van Siegmund en Sieglinde, het ontwaken van Brünnhilde in een wereld vol zon , het grote dramatische elan van haar verovering door Siegfried, de valsheid en de dreigingen van Hagen en de zelfopoffering van Brünnhilde die een nieuwe dageraard aankondigt, wat het slotbeeld van de enscenering geenszins oproept.

In “Rheingold”  waren de zangers de hele tijd zo druk bezig in een dikwijls onoverzichtelijke handeling  en vooral te dikwijls gedomineerd door filmbeelden  dat ze eerder figuranten leken. De enige die echt een eigen profiel had was de Erda van Nadine Weissmann: mooie vrouw met een weelderige stem. De Fricka van Claudia Mahnke en de Freia van Allison Oakes kregen geen kans in het voortdurend over en weer geloop. Albert Dohmen gaf Alberich een krachtige stem maar Wilhelm Schwinghammer en Andreas Hörl waren niet bepaald indrukwekkende reuzen. John Daszak gaf Loge zijn expressieve, klare tenor. Mirella Hagen, Julia Rutigliano en Anna Lapovskaja waren de verleidelijke, lichte meisjes van de Rijn. Zo hij in “Rheingold” weinig indruk maakt (tenzij door voortdurend een bed in te duiken) dan had de Wotan van Wolfgang Koch meer profiel in “Die Walküre” en zong hij met sterke stem. Anja Kampe was een heerlijke en ontroerende Sieglinde met stralende sopraan en Johan Botha een op ieder gebied stevige Siegmund. Claudia Mahnke zette een degelijke Fricka neer en Kwangchul Youn een dreigende, sonore Hunding. De Walküren, in de meest onmogelijke en weinig flatterende kostuums gestoken, vormden een weinig overtuigende groep maar de Brünnhilde van Catherine Foster was uitstekend : grote présence, goede tekstprojectie, expressieve zang en ruime, homogene stem. Jammer dat je in “Siegfried” tot het derde bedrijf moest wachten om haar in volle glorie terug te vinden naast Stefan Vinke, een dappere Siegfried zonder veel nuances en met een stevige stem. Andreas Conrad was een overtuigende Mime, Albert Dohmen herhaalde zijn boze Alberich en Andreas Hörl was een vocaal vrij zwakke Fafner (door Siegfried gedood met een kalachnikov). Wolfgang Koch gaf de Wanderer scenische en vocale allure maar de Erda van Nadine Weissmann maakte veel minder indruk dan in “Rheingold”. Mirella Hagen was een luxueus bepluimde Waldvogel met fijne sopraan (die in de finale van “Siegfried” uit de muil van een krokodil getrokken wordt op de Alexanderplatz van Berlijn!) In “Götterdämmerung” spaarde Stefan Vinke blijkbaar zijn krachten voor de laatste bedrijvan van de opera maar zijn vertolking bleef vrij oppervlakkig. Alejandro Marco-Buhrmester was een elegante maar wat bleke Gunther en Allison Oakes een  verwend kind-Guthrune met stevige sopraan. Stephen Milling gaf Hagen scenisch en vocaal gewicht met een dreigende, bijtende basstem. Catherine Foster herhaalde haar vocaal indrukwekkende en edele Brünnhilde. De Waltraute van Claudia Mahnke miste enigszins vocale allure. De trio’s van de Nornen en de Rijndochters, tot dikwijls onbegrijpelijke handelingen veroordeeld, werden keurig vertolkt door Mirella Hagen, Julia Rutigliano, Anna Lapovskaja, Christiane Kohl en Claudia Mahnke. Het Bayreuther koor was indrukwekkend zoals gewoonlijk.

Voor de vierde editie van deze Ring in 2016 keert  Catherine Foster  terug als Brünnhilde maar nagenoeg alle andere partijen zullen nieuwe vertolkers krijgen.