De Koninklijke Muntschouwburg presenteerde in Bozar twee concertante uitvoeringen van de nauwelijks bekende opera van Anton Rubinstein, Demon. Het was een echte ontdekking. De bezetting benaderde het ideaal en het orkest was één en al concentratie en engagement. Een hoogtepunt! 

Anton Rubinstein (1829-1894) moet het als Russisch componist uit de negentiende eeuw overduidelijk in populariteit en bekendheid afleggen tegen componisten als Tchaikovsky (1840-1893) of Moessorgski (1839-1881). Nochtans heeft hij een groot oeuvre nagelaten in zowat alle genres (symfonieën, concerti, kamermuziek, vocale muziek en zowat dertien opera’s). Hij was ook de oprichter van het conservatorium van Sint-Petersburg. Zijn opera Demon is voltooid in 1871 en ging in première in het Mariinsky Theater in Sint-Petersburg in januari 1875.

Rubinstein baseerde zijn opera op een gedicht van Mikhail Lermontov (1814-1841), een tekst die tot 1860 in Rusland omwille van zijn blasfemisch karakter verboden was. Rubinstein wilde er vooral de poëzie van bewaren en kwam daardoor in conflict met zijn librettist, zodat hij de tekst zelf voltooide. De “Demon” is een gevallen engel: een eeuwige zoeker, die hoopt door de liefde verlost te worden. Een figuur dus die – zoals Richard Taruskin uitlegt in de toelichting in het programmaboekje – gelijkenissen vertoont met de helse verleider Don Juan (in opera vereeuwigd niet alleen in Mozarts Don Giovanni maar ook in De stenen Gast van de Russische componist Alexander Dargomyzsjki), met Wagners Der Fliegende Holländer en paradoxaal met de twee hoofdpersonages van Gounods opera Faust: enerzijds met de duivelse Méphistopheles en tegelijk met de verliefde Faust die zijn ziel aan de duivel verkoopt. U merkt het: de “Demon” is een fascinerend personage die hoopt in de liefde van een vrouw verlossing te vinden voor zijn wanhoop en verveling. Die vrouw is Tamara, de dochter van vorst Goedal, verloofd met Prins Sinodal. Tamara raakt op haar huwelijksfeest – wachtend op de bruidegom – in de ban van de Demon. De Demon zorgt er met zijn kwade geest voor dat Sinodal omkomt op weg naar het huwelijksfeest. Tamara kan zich niet meer losmaken van de duivelse bezwering en wil naar het klooster. Daar wordt ze op een nacht bezocht door de Demon en ze sterft door zijn kus. Maar zoals voor Marguerite in Gounods Faust is er een apotheose, waarbij Tamara door een Engel naar de hemel geleid wordt. De Demon is gedoemd tot eeuwige eenzaamheid en hij vervloekt zijn lot en de wereld.

Grandioos orkest en schitterende solisten

De muziek boeit van begin tot einde. Het orkest beeldt op zo’n sterke manier de dramatische confrontaties tussen de personages uit, dat we het visuele nauwelijks misten. De bezwerende optredens van de Demon gaan vaak gepaard met knappe passages voor het slagwerk. Dreigende momenten klinken in de contrabassen, trompetten en trombones. Lyrische melodieën krijgen prachtige viool- en fluitsolo’s. Een fantastisch rijke orkestrale partituur waarbij je verstomd staat dat dit werk nooit gespeeld wordt. Dirigent Mikhail Tatarnikov haalt het maximum uit het orkest en het is duidelijk dat de muzikanten helemaal opgaan in hun werk. Ook de koren, waarvan het koor van de engelen heel efficiënt geplaatst was op de balkons boven de scène, presteerden schitterend.

Die plaats van het koor was een kleine “scenische” ingreep en ook het optreden van de solisten was geen statisch gebeuren. Zonder overdrijving gaven ze hun optreden licht scenische présence met gepaste gestiek en beweging.

Kostas Smorginas was een grandioze Demon, die met indrukwekkende en sonore bas-bariton zijn heerschappij uitzingt als duivel die de touwtjes in handen houdt. Tegelijk klinkt er tragiek doorheen zijn autoriteit, die naar het slot toe plaats maakt voor de smartelijke stem van een onvervuld verlangen. Zijn stembeheersing blijft in alle nuances perfect. Het lieflijke personage van Tamara is aangrijpend dankzij de mooie en pure stem van Veronika Dzhioeva, die voor deze veeleisende partij over het vereiste ruime stemregister beschikt. De rol van haar verloofde, Prins Sinodal, is beperkter en dat was maar goed, want de onvaste stem van tenor Boris Rudak viel in het geheel wat uit de toon. De vader daarentegen was een knappe en overtuigende bas Ante Jerkunica. En Christiane Stotijn zong – ook vanop het zijbalkon – een hemelse Engel. Een voorstelling waarmee de Munt in de beste omstandigheden het publiek een onbekend meesterwerk heeft laten ontdekken, bovendien een première voor België.