De nieuwe directie van Opera Ballet Vlaanderen maakt meteen de keuze voor een krachtige inzet van het seizoen. Don Carlos van Giuseppe Verdi is een van de meest veelzijdige en veeleisende opera’s van het Italiaanse repertoire. Voor deze productie in regie van Johan Simons waren de verwachtingen hooggespannen. Ze werden maar ten dele ingelost.

De opera is gebed in de historische context van de Spaanse heerschappij in de 16de eeuw en focust tegelijk op machtsverhoudingen en de persoonlijke verwikkelingen van de personages in hun liefdesleven. De typische vermenging van persoonlijke en maatschappelijke conflicten waar Verdi zo van houdt, is hier extreem doorgedreven. Het thema past bij zijn afkeer van elke vorm van tirannie, kerkelijk of aristocratisch. En hij kan zich vereenzelvigen met het humanistisch ideaal van menselijke vrijheid dat hij terugvindt in het stuk van Schiller. Zo wordt de liefdesrelatie tussen Elisabeth en Carlos in de kiem gesmoord door haar gedwongen huwelijk met Philips omwille van de vrede met Spanje. Zo ook hangt de intense vriendschap tussen Rodrigo en Carlos samen met hun engagement voor de Vlaamse rebellen tegen de Spaanse heerschappij en vooral de inquisitie.

Sterke personenregie in bizarre scenografie

De regie van Johan Simons is in enkele van de meest cruciale confrontaties tussen de personages grandioos. In het krantje van Opera Ballet Vlaanderen titelde Johan Simons zijn toelichting: Ik tracht de ziel van de zangers te laten zien. Daar is hij grotendeels in geslaagd. Te beginnen al bij de ‘liefdesscène’ tussen Don Carlos en Elisabeth in het woud van Fontainebleau. Meteen krijgen we een Mary Elizabeth Williams te zien die een engagement in haar vertolking legt die bij de keel grijpt. Haar mimiek drukt haar emotie uit en ze zingt met heldere sopraan en dramatische kracht. Enkel in haar slotaria aan het begin van het vijfde bedrijf (Toi qui suis le néant) slaat de vermoeidheid toe en komen niet alle topnoten er zuiver uit. Maar wie maalt erom als ondertussen elk optreden van haar zo overtuigend was? Met haar ranke gestalte en turquoise broekpak (met zwarte hoed) straalt ze koninklijke elegantie uit, die empathie niet in de weg staat. Zo is bijvoorbeeld ook haar afscheid van haar hofdame van Aremberg, die door Philips streng weggestuurd wordt, ontroerend in oprechte intimiteit.

De partij van Don Carlos zelf is een heksentoer van Leonardo Capalbo, die continu op de scène aanwezig is. De productie is immers zo opgevat dat heel het verhaal zich afspeelt in zijn hoofd. Als droom of flashback? In ieder geval ziet hij zo alles opnieuw gebeuren. Een uitgangspunt dat blijkbaar de lelijke metalen bedden moet verklaren, waarop hij ook mijmerend ligt als de voorstelling begint, maar waar je tijdens het verloop van de opera best afstand kan van nemen. Carlos loopt de hele opera lang in een soort casual zwarte broek met wit T-shirt rond en voortdurend rijden die lelijke tralieconstructies heen en weer. Voor het overige alleen maar lof voor de prestatie van Capalbo: hij zingt met heldere tenorstem en uitstekende dictie en bekoort zowel als smachtend verliefde (de al vermelde Fontainebleau-scène en het aangrijpende afscheid van Elisabeth op het einde van de opera), maar ook als militant rebel (auto da fe-scène) én als oprechte vriend – in een van die andere hoogtepunten van de voorstelling: zijn bezoek aan zijn gevangen genomen vriend Rodrigue. Afgezien van de context van ‘herinneringen’ waarin Carlos hier geplaatst wordt, ervaren we hem als een gevoelige jongeman, geen streber, wel tragisch. De scène bij Rodrigue is voor mij ook de enige waarin het traliebed zin had in de opeenstapeling van de vele tralies die een kerkerbeeld suggereerden. Bariton Kartal Karagedik was trouwens vocaal een overtuigende Rodrigue.

De ‘negatieve’ personages die de macht vertegenwoordigen, maakten minder indruk. Ook al zong Andreas Bauer Kanabas Philippe II met zeer mooie bas, als karakter straalde hij te weinig autoriteit en strengheid uit. Zijn papieren gouden kroon kwam carnavalesk over en zijn zwarte kostuum verwees eerder naar huiselijkheid dan naar afstandelijke hardheid. In de confrontatie met Rodrigue op het einde van het tweede bedrijf is het eerder Rodrigue die de aandacht krijgt dan Philippe. Zijn scène met zijn mooie aria Elle ne m’aime pas had – hoe mooi ook gezongen – niet de spanning die ze aangrijpend maakt. Evenmin de opkomst van de Groot Inquisiteur (Roberto Scandiuzzi), niettegenstaande het orkest ijzingwekkend klonk. De andere diepe mannenstem, Werner Van Mechelen als Moine en Charles V, was een blij wederhoren en bewees dat de zanger het nog altijd uitstekend doet!

Al maakte Raehann Bryce-Davis haar entrée als Eboli met veel aplomb, ze is niet de meest geslaagde bezetting voor de partij. De stem heeft volume en zit perfect, maar het timbre is eerder dat van een gospelzangeres dan van een Eboli. Bovendien heeft ze soms een lelijk vibrato en is zacht zingen niet aan haar besteed. Haar geregeld gechargeerde vertolking maakt de jaloezie en venijnige achterbaksheid van Eboli onoprecht. Zelfs in haar grote aria in het vierde bedrijf (O don fatal et détesté) betoont ze geen berouw of triestheid, heeft ze dezelfde grijns in haar mimiek.

Orkest mist detaillering

Alejo Pérez leerden we al kennen bij de productie van Debussy’s Pelléas et Mélisande. Hij leidt hier het orkest met vaste hand. Vooral de monumentale en grootse uitbarstingen maakten indruk, maar in verscheidene, vooral intiemere scènes hadden we toch wat meer diversiteit willen horen in de instrumenten. Het geheel kwam soms routineus over. Misschien wordt er voor volgende voorstellingen nog wat aan finesse geschaafd? Het Koor Opera Ballet Vlaanderen zong en speelde dan weer schitterend – een goede gewoonte.

Toch maakte het geheel van de muzikale uitvoering deze niet stuk te krijgen gepassioneerde opera van Verdi tot een belevenis. De keuze van de versie in het Frans in vijf bedrijven – de synopsis in het programmaboek deelt de opera in acht scènes in – is natuurlijk toe te juichen. Maar de volgorde van het San Yuste-tafereel omwisselen met het Fontainebleau-tafereel is me een raadsel en komt onlogisch over, aangezien het verliefde koppel dan al weet dat hun liefde een illusie is! En waarom dan in dat Fontainebleau-tafereel het aangrijpende en zinvolle beginkoor weglaten?

Het decor was duidelijk geïnspireerd op de Spaanse omgeving van het Escorial. Maar de projectie van het vaalgroene landschap, afgewisseld met de grijze gewelven, was niet meteen een mooi decor. Enkel het naar boven schuiven van het doek om het koor naar de voorgrond te halen, was een goede vondst. De De Chirico-achtige en geometrische objecten die heen en weer over de scène geschoven werden, roepen vooral vragen op naar de betekenis en meerwaarde ervan. De illusie van surrealiteit komt niet uit de verf, ook niet die van de kleurrijke ballonnen. De zwarte achtergrond in het tweede deel was uiteindelijk zinniger als decor en accentueerde de sterke personenregie van de boeiende en complexe karakters. Een voorstelling die slechts gedeeltelijk tevreden stelt, maar hoe dan ook door het publiek werd toegejuicht.


  • WAT: Giuseppe Verdi (1813-1901) – Don Carlos
  • REGIE: Johan Simons
  • SCENOGRAFIE: Hans Op de Beeck
  • KOSTUUMS: Greta Goris
  • STEMMEN: Leonardo Capalbo, Mary Elizabeth Williams, Andreas Bauer Kanabas, Kartal, Karagedik, Raehann Bryce-Davis, Roberto Scandiuzzi, Werner Van Mechelen, Annelies Van Gramberen
  • ORKEST: Symfonisch Orkest Opera Ballet Vlaanderen, Koor Opera Ballet Vlaanderen o.l.v. Alejo Pérez
  • WAAR: Opera Ballet Vlaanderen, Antwerpen
  • WANNEER: zondag 22 september 2019 (nog tot en met 9 oktober in Antwerpen en van 16 tot en met 30 oktober in Gent)