Op de valreep viert De Munt het tweehonderdste geboortejaar van Jacques Offenbach (1819-1880) met een uitvoering van diens enige opera Les Contes d’Hoffmann.

Offenbach staat vooral bekend als de uitvinder van de operette. Hij schreef er een stuk of honderd, waarvan er heel wat de tand des tijds hebben doorstaan. Hij vergaarde daarmee grote roem in Parijs en de rest van Europa. Maar was zijn wens om niet alleen als operettecomponist de geschiedenis in te gaan maar ook als componist van minstens één serieuze opera de reden dat hij aan het eind van zijn leven nog eens begon aan zijn magnum opus Les Contes d’Hoffmann?

Offenbach zou de première in februari 1881 niet meer beleven. Hij verwisselde het tijdelijke met het eeuwige vier maanden eerder, voordat hij de partituur had kunnen afwerken. Zo zorgde hij postuum nog voor heel wat verwarring. Omdat er geen geautoriseerde partituur was, deed iedereen zijn zin, hele aktes werden soms geschrapt of toegevoegd. De laatste jaren beginnen de muziekarcheologen echter wat meer grip op de materie te krijgen en kunnen we nu spreken van een redelijk definitieve versie.

Ondanks die chaotische overlevering heeft Hoffmann zich moeiteloos weten te handhaven in het repertoire, dank zij een goed verhaal, geraffineerde instrumentatie en een paar onsterfelijke melodieën die iedereen moeiteloos kan meezingen.

De Munt trakteert ons op een enscenering van de alom bewierookte regisseur Krzystof Warlikowski en zijn team waarin decor- en kostuumontwerpster Malgorzat Szczesniak al jaren een vaste waarde is.

Warlikowski  is gefascineerd door film, vooral uit de hoogtijdagen van Hollywood. Het komt dan ook niet als een verrassing dat hij het verhaal verplaatst naar een filmset, waar Hoffmann niet alleen als hoofdrolspeler en verteller zijn eigen drie liefdesgeschiedenissen uit de doeken doet, maar ook als regisseur het verhaal van zijn leven. Het effect van de Droste cacaoblikken. Warlikowski laat geen visuele middelen onbeproefd om de toeschouwer te vervreemden. Alles wat er momenteel mogelijk is aan beeldtechniek wordt ingezet, maar ook door in te grijpen in de handeling probeert hij het publiek op het verkeerde been te zetten. Bijvoorbeeld door in de laatste entr’acte het gordijn te sluiten en een Oscaruitreiking te ensceneren.

Het begint allemaal overrompelend: een drukke filmset met solisten, talrijke figuranten, en een koor dat achter een enorm videoscherm staat opgesteld.  Overal microfoons en camera’s. Het ziet er indrukwekkend uit, maar zorgt ook voor verwarring en chaos. De geprojecteerde beelden leiden de aandacht af van waar het toch eigenlijk om gaat: kroegtijger Hoffmann die de drie verhalen van zijn mislukte liefdes gaat vertellen, omringd door louche volk. Voeg daarbij dat je af en toe ook eens naar de boventiteling wilt kijken en het zal duidelijk zijn dat dit multitasken voor gevorderden is.

Dat het ook voor dirigent, koor en orkest even wennen was, bleek uit de wat aarzelende start, met hier en daar een minder scherpe inzet.

Gaandeweg komt er wel wat meer rust in de voorstelling.  We zien hoe Hoffmanns liefde voor de pop Olympia op een teleurstelling uitdraait. De Franse sopraan Patricia Petibon neemt de vier vrouwen in Hoffmanns leven voor haar rekening. Ze brengt Olympia in de aria ‘Les oiseaux dans la charmille’ op een hilarische manier tot leven, maar misschien wat al te lollig. Is dat om te verhullen dat ze moeite heeft om de noten van de coloratuur  te halen waar deze aria zo beroemd (en berucht) om is?

Maar ook als in de derde en vierde acte de sfeer definitief kantelt en drama zijn intrede doet, weet ze niet helemaal overtuigen als kwijnende Antonia – daar mis je de ontroering – en als haaibaai Giulietta. Deze veeleisende rol tot een goed einde brengen is sowieso een prestatie, maar  Petibon is niet altijd even trefzeker. Heeft ze wel het geschikte stemtype voor Offenbachs vocale trapezewerk?

De geëxalteerde alcoholicus alias slapjanus Hoffmann wordt neergezet door de goed acterende Amerikaanse tenor Eric Cutler, die met zijn wat dunne stem moeite had om zich staande te houden tegenover bulderbas Gabor Bretz, die de vier bad guys voor zijn rekening nam. En hoe! Bretz leverde een indrukwekkende prestatie. Bij hem zijn de slechteriken echt slecht. Een bijzondere podiumpresentie heeft hij ook. Hij behoort tot die solisten die het hele podium vullen, al staat hij ergens achter in een hoekje. Ook éminence grise basbariton Sir Willard White is er zo een, evenals Sylvie Brunet-Grupposo, die haar weliswaar kleine rol als stem uit het graf van Antoines moeder prachtig vertolkte. Michèle Losier was als een vis in het water in haar dubbelrol als Hoffmanns’ muze en metgezellin Nicklausse.

Voor het koor van de Munt alleen maar lof. Ze brachten met hun energieke optreden de broodnodige pit in de voorstelling.

En in de bak? Daar werd vooral op safe gespeeld, kreeg je het idee. Het klonk een beetje grof hier en daar.‘t Straalde nog niet erg. Het leek wel alsof dirigent Altinoglu moeite had om zijn musici op het puntje van hun stoel te krijgen. De verfijnde instrumentatie die deze partituur kenmerkt kwam daardoor (nog) niet erg uit de verf. Maar er zijn gelukkig nog tien voorstellingen om er in te groeien!

Warlikowski’s hypermoderne aanpak leidt niet alleen tot vervreemding maar ook tot irritatie. Steeds weer doemt de vraag in je op: hoe ver mag je nu eigenlijk gaan met de uitvoering van een opera uit 1881? Wat voegt al die techniek toe aan zo’n stuk?

Een dergelijke aanpak loslaten op een geschreven tekst of toneelstuk, pakweg Shakespeare,  levert meestal geen probleem op. Gedachten laten zich op velerlei wijze weergeven. Maar bij opera ligt dat toch anders. Daar ligt de vorm vast. Daar heeft de componist duidelijk aangegeven hoe hij het allemaal heeft bedoeld. En dan is er altijd de muziek die de tijdgeest weerspiegelt en een zekere sfeer oproept. Offenbach is hierop geen uitzondering.

Waar ligt de grens tussen Offenbach in de regie van Warlikowski  of de nieuwe van Warlikowski op muziek van Offenbach? En waarom kiest Warlikowski er juist voor om de muziek van Offenbach te gebruiken en schakelt hij niet een hedendaagse componist in om een heel nieuwe Hoffmann te scheppen? Dat zou pas echte vernieuwing zijn!

Waar in de klassieke muziek de laatste vijftig jaar veel moeite is gedaan om de uitvoeringspraktijk dichter naar het origineel en de bedoelingen van de componist te brengen, lijkt bij de opera een tegengestelde beweging aan de gang en verwijderen de ensceneringen zich steeds verder van het origineel. Maar past die oude muziek wel bij die moderne beelden? Daar ligt voor mij de grootste vervreemding. Te oordelen naar het succes van deze voorstelling heeft het publiek er geen moeite mee.

Toen ik mijzelf er vanochtend onder de douche op betrapte dat ik zachtjes die ontroerende aria “Elle a fui, la tourterelle” stond te neuriën, kon ik tot geen andere slotsom komen dan dat Offenbach moeiteloos het pleit in zijn voordeel heeft beslecht.

Over pakweg honderd jaar zullen nog steeds mensen onder de douche zijn aria’s neuriën, maar wie was die Warlikowski ook al weer?


  • WAT: Les Contes d’Hoffmann van Jacques Offenbach
  • WIE: Orkest en koor van De Munt, onder leiding van Alain Altinoglu
  • GEZIENE VOORSTELLING: 10 november 2019, Muntschouwburg Brussel
  • FOTO’S: © Bernd Uhlig