De voorstelling die De Nationale Opera programmeerde van Debussy’s Pelléas et Mélisande met een veelbelovend regisseur als Olivier Py en een schitterend orkest als het Concertgebouworkest is als een magneet die je naar het theater trekt. De enscenering stelde gedeeltelijk teleur, het orkest compenseerde overvloedig en ook de zangers zorgden ervoor dat de voorstelling absoluut de moeite was.

Voor zijn enige opera is Debussy gefascineerd door een stuk van Maurice Maeterlinck, “een tekst die de dingen half verwoordt en ruimte laat om mijn droom op de zijne te enten”. Pelléas et Mélisande is een mysterieus stuk en een wondermooie opera. Dirigent Stéphane Denève zegt in zijn toelichting in het magazine van De Nationale Opera: Het verhaal is tamelijk simpel en bijna saai, over een driehoeksverhouding en vol van jaloezie. Maar belangrijk is wat erachter schuilt. Niets is duidelijk bepaald of omschreven, zelfs niet wie de personages zijn: Le Roi Arkel, Golaud, zijn halfbroer Pelléas, en vooral niet Mélisande. Als we haar ontmoeten, is ze een jonge vrouw, verloren in een woud. De plaats is: “Allemonde”, de tijd is een vraagteken. Wat telt in deze opera, is de sfeer, de symboliek en het ondoorgrondelijke onderbewuste van de personages. Maeterlinck en Debussy zijn typische vertegenwoordigers van het fin de siècle met zijn melancholie en dromerigheid. De suggestie is het belangrijkste.

Doorkijkkasteel Allemonde

Olivier Py en zijn decorontwerper Pierre-André Weitz openen de voorstelling met een doolhof van scènehoge verlichte inox stangen. Die suggereren het woud waarin Golaud Mélisande vindt. Visueel mooi, maar de monotonie ervan blijkt doorheen de voorstelling door te wegen op de hele scenische uitwerking. Feeëriek verschijnt Mélisande tussen de stangen: een frêle vrouw in doorschijnende witte jurk. Elena Tsallagova is van bij aanvang de perfecte verpersoonlijking van de fin-de-siècle-vrouw uit Debussy’s opera: kwetsbaar maar ook vastberaden, fragiel en verleidelijk, knap en lief. Ze verliest haar kroon waarmee Py een letterlijke verwijzing maakt naar de tekst van het libretto, een procedé dat hij ook op andere plaatsen in de opera herhaalt. Dat valt des te meer op omdat de tekst door alle vertolkers heel verstaanbaar wordt gezongen. De ontmoeting met Golaud (Brian Mulligan) toont duidelijk de spanning tussen de krachtige Golaud en de angstige Mélisande. Deze eerste scène bewijst dat de personenregie veel potentieel heeft om de psychologie van de karakters helder weer te geven. Jammer dat dergelijke personenregie pas in het tweede deel het toppunt van efficiëntie bereikt. Als de tweede scène het verhaal naar het kasteel verplaatst, wordt een metalen geraamte in de vorm van een huis de scène opgereden. Het is een zwarte, sobere constructie, waar je doorheen kunt kijken. De “bomen” van de eerste scène schuiven naar de achtergrond of verdwijnen gedeeltelijk. Het “geraamte” kan wel op vele – soms mooie – manieren worden belicht of ook gedraaid of vervormd worden naar een hoge trapconstructie. Meestal ziet het er koud en lelijk uit, wat contrasteert met de poëzie die van de muziek uitgaat. In de vele variaties waarin het decor gebruikt wordt, is die voor de ontmoeting van Pelléas met Mélisande zeker een van de meest geslaagde: als een hoge trap waarlangs ze naar elkaar toe klimmen als een koppel op zoek naar elkaar. Het acrobatische dat hun toenadering vereist, verhindert toch wel voor een deel dat de tederheid voldoende overkomt. Een mooi detail is wel de ruiker bloemen die Mélisande bij zich heeft. Als een teken van haar geheime liefde blijft die de rest van het bedrijf op de trap liggen. Hun scène in de grot is angstaanjagend overtuigend uitgebeeld, met drie obscure (naakte) mannen als de zwervers. Waarom Mélisande haar haren aan het torenraam met een reusachtig mes kamt, is me een raadsel. Ook de bizarre bebloede man die opdaagt eens de jaloezie van Golaud de overhand neemt, lijkt me wat vergezocht. Misschien kunnen we hem interpreteren als de slachter van de passerende kudde schapen uit het libretto? Ook het voortdurend aanwezig zijn van Yniold, het zoontje van Golaud uit een vorig huwelijk, is een aspect in de regie dat onnodig overkomt. De scène waarin het kind als een gek in een lappenpop zit te hakken, terwijl Golaud zijn woede-uitbarsting heeft op Mélisande en haar bij de haren rukt, is overtrokken (en verveelt) – al is het wel te verklaren als versterking van de brutaliteit van Golaud. Maar Brian Mulligan acteert met voldoende persoonlijkheid om die te manifesteren.

Het vierde bedrijf bevat de mooiste scènes van de voorstelling: de afspraak tussen Pelléas en Mélisande en hun liefdesscène – en tegelijk afscheidsscène bij de bron – en de serene scène van Arkel die statisch maar zeer emotioneel zijn beschouwing bij de komst van Mélisande geeft. Peter Rose doet dit zo ontzettend kwetsbaar en geloofwaardig. Ook de interactie tussen Paul Appleby en Elena Tsallagova in deze scène is bijzonder ontroerend en bevestigt de zielsverwantschap tussen hen. De sfeer van aangrijpende personenregie blijft ‘doorzinderen’ in het laatste bedrijf, met een Golaud die berouw heeft en als een radeloos man vecht voor de liefde van zijn vrouw. Ook bij de dood van Mélisande blijft de scène abstract sober en de sfeer irreëel, met de dienstmeisjes (die mannen blijken te zijn?) achter een gazen gordijn. Een tweede deel dat de voorstelling – ondanks het toch wat onfraaie constructivistische decor – tot een in het geheugen gegrifte voorstelling maakt.

Vloeiende muzikale bewegingen

De woorden die herhaaldelijk voorkomen in het reeds vernoemde interview met Stéphane Denève zijn: “vloeiende beweging. Zo dirigeert hij de muziek inderdaad. Van bij de eerste tonen van de eerste scène vloeit de klank van strijkers naar blazers als een ononderbroken, fascinerende klanklijn. Met een orkest als het Concertgebouworkest Amsterdam levert de fijnzinnige en gedetailleerde directie van Denève een weelde van klank en kleur op. Hij brengt zijn opvattingen in praktijk: “Bij Debussy zijn de motieven niet decoratief, maar geven ze een psychologische diepte. Debussy is daarin zeer, zeer, zeer verfijnd”. Hij is ook een perfecte steun voor de zanglijn van de zangers, die ritmisch moeilijk en soms complex is, met speciale klemtonen. Denève benadert de muziek zoals Debussy ze beschreef aan zijn vriend en dirigent van de eerste opvoering André Messager – uit: Hartstochtelijk houd ik van muziek (red. Lucas Bunge): U bent erin geslaagd het klankleven van Pelléas te wekken met een gevoelige verfijning […] want het is nu eenmaal zo dat het innerlijke ritme van de muziek afhangt van degene die haar oproept. Denève heeft het innerlijke ritme en de transparantie van de muziek samen met het orkest heerlijk tot uiting gebracht.

De solisten konden nauwelijks beter gecast zijn. Paul Appleby vertolkt Pelléas met zachte en genuanceerde tenorstem. Hij beheerst de muziek niet alleen vocaal-technisch, maar beleeft het personage in al zijn gevoeligheid. Elena Tsallagova is een gedroomde Mélisande, zowel als figuur als met haar lyrische kleurrijke stem die nooit forceert en alle schakeringen van het zinsritme aankan. Brian Mulligan vertolkt met stevige, maar nooit hard-klinkende bariton het felle karakter van de jaloerse echtgenoot. Katia Ledoux was een mooie Geneviève, maar zong soms met te sterk vibrato, zeker in haar eerste scène. Heel ontroerend was Peter Rose als Arkel, die zijn partij zong als een breekbare oude man. Een hele prestatie om als muzikaal team zoveel gevoel te brengen in de koele constructivistische scène van Olivier Py. Het publiek dankte dan ook met een staande ovatie.


  • WAT: Claude Debussy (1862-1918) | Pelléas et Mélisande
  • REGIE: Olivier Py
  • STEMMEN: Paul Appleby, Elena Tsallagova, Brian Mulligan, Katia Ledoux, Peter Rose, Frederik Bergman, Michael Wilmering, …
  • ORKEST: Koninklijk Concertgebouworkest Amsterdam o.l.v. Stéphane Denève
  • WAAR: De Nationale Opera, Amsterdam
  • WANNEER: woensdag 5 juni 2019 (première) – nog tot en met 27 juni 2019
  • FOTO: © Matthias Baus