De Nationale Opera in Amsterdam opent het seizoen met de gedoodverfde double bill bestaande uit Leoncavallo’s Pagliacci en Mascagni’s Cavalleria Rusticana. Een aantrekkelijke affiche voor de operaliefhebber, zeker met Robert Carsen als regisseur en de jonge dirigent Lorenzo Viotti die meteen een vervroegde vuurdoop krijgt als chef-dirigent van het operahuis.

Je kan zelfs stellen: eens te meer een meesterzet van Robert Carsen, want altijd vindt de regisseur een interessante en vooral originele invalshoek om een opera tot een geslaagde en aangrijpende belevenis te maken. In zijn regie trekt hij niet de kaart van de couleur locale van het zuiderse Italië, zoals bijvoorbeeld Damiano Michieletto wél deed in zijn eveneens knappe enscenering van het tweeluik in De Munt in Brussel in maart 2018. Carsen gaat voluit voor het aspect van theater in het theater. Zijn uitgangspunt is dat wat op de scène plaatsvindt, parallel is met wat in het echte leven gebeurt. In die zin is het logisch dat de voorstelling begint met Pagliacci van Ruggero Leoncavallo (1857-1919), waarin de Proloog verwijst naar de rol van het theater dat zal gespeeld worden: de personages in het stuk zijn echte mensen, mensen die zijn zoals degenen die straks als publiek naar het stuk komen kijken. Carsen laat de Proloog declameren voor het rode toneelgordijn en niet door Tonio, de “Pagliaccio” in de opera, maar door een “proloogzanger” die waarschuwt dat het publiek zal kijken naar acteurs die de relaties van echte mensen naspelen. Als hij klaar is met zijn proloog, gaat het gordijn op en is er een volgend toneelgordijn: dat van de scène waarop het theaterstuk door de groep theaterspelers – met Canio en Nedda als Pagliaccio en Colombina – gespeeld zal worden. De groep toneelspelers komt op vanuit de zaal, wat al verrassend is. Maar het grootste verrassingseffect bestaat erin dat Carsen het publiek dat komt kijken, joelend vanop de voorste rijen van de zaal de scène laat opstormen. Carsen vereenzelvigt zo het “echte” publiek met het publiek van het stuk en verhevigt de idee nog met een spiegel achteraan op de scène die op cruciale momenten de zaal weerspiegelt. Daarbij speelt hij ook op een creatieve manier met het licht in de zaal, dat parallel loopt met de belichting voor “het stuk”. Het idee om het publiek in de zaal te “weerspiegelen” op de scène is al wel meer toegepast in de opera, maar zelden is het zo efficiënt en zinvol gebruikt als hier.

Het eerste deel van Pagliacci speelt zich af in het “reële leven” van de acteurs. In het tweede deel wordt de intrige onderwerp van het gespeelde stuk. Canio is de leider van een reizend toneelgezelschap en echtgenoot van Nedda. Tonio, zelf verliefd op Nedda, suggereert dat Nedda haar man ontrouw is. Canio zweert dat hij de minnaar zou vermoorden. Tonio probeert Nedda te verleiden, maar zonder succes. Als wraak probeert Tonio haar te doen betrappen. Nedda weigert de naam van haar minnaar te verraden en totaal overstuur steekt Canio zijn vrouw dood. Dan doodt hij ook Silvio, die zich als de minnaar verraadt door haar ter hulp te komen. De beroemde slotzin van de eenakter La commedia è finita wordt hier dan ook zoals Leoncavallo geschreven heeft door Tonio – met ironisch clownsmasker -gedeclameerd. Een bijtend slot dat aansluit bij de onheilspellende proloog.

Carsen zou Carsen niet zijn als zijn vondst niet alleen ingenieus wordt uitgespeeld, maar bovendien met een schitterende timing toegepast wordt. De komische elementen in het tweede deel met de dwaze knecht Taddeo (de rol van Tonio) geeft hij bovendien zo’n burleske uitdrukking zonder tegelijk subtiel het dreigende onheil te laten voelen. Spel en werkelijkheid loopt door elkaar in dit verhaal van liefde en jaloezie, passie en wraak.

Emotie tot het uiterste geprikkeld

In Cavalleria Rusticana van Pietro Mascagni (1863-1945) is het verhaal over ontrouw, passie en verraad zo mogelijk nog rauwer. De directe emotie is het belangrijkste en het orkest verhevigt nog de gevoelens, bijvoorbeeld in de orkestrale herneming van de prelude na het centrale duet tussen Santuzza en Turiddu – dat inzet met Tu qui, Santuzza. De hymne Regina Coeli door het koor en het symfonische intermezzo tekent de sereniteit van het dorpsleven in contrast met alle opgelaaide passies. Ook hier opteert Carsen voor een omkadering die een theateropvoering suggereert, met schmink- en kaptafels op de scène in plaats van een landelijke Siciliaanse locatie. De abstrahering werkt hier toch minder vanzelfsprekend en de personages lopen soms wat verloren in het verhaal. De grijze, sombere toneelachtergrond waarachter de dorpsbewoners verdwijnen om naar de dienst in de kerk te gaan, vraagt wel veel van “de verbeelding van de toeschouwer” die Carsen “vrij spel” wil geven (achtergrondartikel in magazine Odeon). Origineel is wel om de koordirigente Ching-Lien Wu haar rol te laten spelen op de scène bij de uitvoering van het heerlijke Regina Coeli-koor.

Gelukkig zijn er de uitstekende zangers-acteurs, die ook hier de emotie van toeschouwer tot het uiterste prikkelen. Carsen gidst hen doorheen de uitbarstingen van erotiek en geweld op een vitale maar nergens choquerende manier. De Georgische sopraan Anita Rachvelishvili, die ook al te zien was in de Nationale Opera in Chovansjtsjina, speelt een Santuzza die niet alleen tot in elke vezel intens acteert, maar ook zingt met volle overgave zonder haar volle, weelderige stem ooit geweld aan te doen.

De voorstelling wordt hoe dan ook gedragen door een fantastische cast. Reeds de eerste minuten van Pagliacci met de Proloog door Gevorg Hakobyan gaan door merg en been. Tegelijk laat Lorenzo Viotti alle details van de thematiek in de prelude klinken wat van bij de inzet van de opera voor kippenvel zorgt. De bariton keert in Cavalleria terug als de bedrogen Alfio, die getergd door zijn rivaal Turiddu zijn wraak niet meer onder controle houdt met de fatale afloop tot gevolg. Met innemende en perfect beheerste stem vertolkt de zanger beide partijen. De proloog met informatieve afstandelijkheid, de rol van Alfio met ingehouden woede. De rol van Nedda in Pagliacci wordt gespeeld door Ailyn Pérez, die zich met typische “actrice-allures” uitleeft in haar personage van Colombina. Haar hoge sopraan komt toch wel wat schril over als ze fel moet uithalen. In Stridono lassu, haar mooie aria over vrijheid, komt ze wat onverschillig over. Al biedt ze een mooie vertolking, ze heeft zeker niet de overtuigingskracht van Anita Rachvelishvili als Santuzza in Cavalleria. De bezetting is voor het overige zeer goed ingevuld en in Cavalleria is zeker ook het optreden van Elena Zilio als Lucia een vermelding waard. Met tedere stem en vol inleving ondergaat ze de gebeurtenissen. Een mooie en bescheiden Mamma Lucia.

Lorenzo Viotti is een jonge Zwitsers-Franse dirigent die vanaf het seizoen 2021-2022 de nieuwe chef-dirigent wordt van de Nationale Opera en het Nederlands Philharmonisch Orkest, in opvolging van Marc Albrecht. Hij neemt de productie over van Mark Elder die om gezondheidsredenen verstek moest geven. Met behoedzame en precieze gestiek dirigeert hij het orkest tot een expressief en gedetailleerd ensemble dat de veristische partituur in alle nuances tot klinken brengt. Niet alleen de dramatische en verhalende passages brengt hij tot leven, maar ook de serene en zachte intermezzi die in beide opera’s de overgang tussen de delen vormen. Zijn optreden in deze veristische diptiek van Leoncavallo en Mascagni belooft alvast een mooie muzikale toekomst voor de Nationale Opera.

Een voorstelling van een topper uit het repertoire die, in de woorden van Robert Carsen in het programmaboek, uitnodigt om “opnieuw naar de wereld te kijken door de ogen van het theater en ons de vraag te stellen hoe leven en kunst elkaar nabootsen en weerspiegelen.”


  • WAT: Pagliacci/Cavalleria Rusticana van Ruggero Leoncavallo/Pietro Mascagni
  • REGIE: Robert Carsen
  • STEMMEN: Gevorg Hakobyan, Ailyn Pérez, Brandon Jovanovich, Roman Burdenko, Marco Ciapponi, Mattia Olivieri, Anita Rachvelishvili, Rihab Chaieb, Brian Jagde, Elena Zilio
  • ORKEST: Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. Lorenzo Viotti en Koor van de Nationale Opera (koorinstudering: Ching-Lien Wu)
  • WAAR: Nationale Opera Amsterdam
  • WANNEER: zondag 8 september 2019 (voorstellingen nog tot en met 28 september)