Het klassieke operadoek gaf nog voor het opengaan al een eerste indruk weer van een eerder spektakelachtige opera dan het statige verhaal waar La Clemenza di Tito (KV 621), van Wolfgang Amadeus Mozart zijn laatste opera, voor staat. Het duo Roussat-Lubek dat met hun regie van Die Zauberflöte nog een Gouden Label Opera kreeg, gaat hier toch iets uit de bocht wat het libretto van Pietro Metastasio (aangepast door Caterino Mazzolà) betreft.

Het is een spektakelstuk met veel acrobatie en een wisselend, bijna spookachtig decor, met trolachtige figuren, een renaissance-engelachtige figuur, een keizer als centaur en nog meer personages die naar de mythologie uit keizers Tito’s tijd kunnen zouden kunnen refereren, waardoor er een eerder drukke opvoering ontstaat.

Mozart was al niet erg gezond meer toen hij zijn laatste opera snel componeerde terwijl hij nog met Die Zauberflöte in de weer was en zijn Requiem maar niet klaar kreeg. Hij komt hier, op een aantal zeer fraaie en ontroerende aria’s en nobele koorzang niet echt tot een opera zoals we van hem gewend zijn. Is het omdat zijn energie al aangevreten werd door de ziekte die hem een paar maanden later zou vellen? Was het omdat het een bestelling was die geld opbracht, maar hem op dat ogenblik, onder meer door de korte deadline, niet interesseerde? Men kan stellen dat La clemenza di Tito vooral verder leeft in de ouverture en een aantal aria’s, toch zijn al de ingrediënten aanwezig om er een Romeinse luxueuze evocatie van te maken, die het leven in het Rome van het jaar 79  weergeeft.

Het regisseursduo Roussat-Lubek, dat naast de regie ook instond voor de kostumering en de choreografie, wijkt fel af van het Romeinse verhaal. In die tijd was er een verspreid geloof in allerhande duivelse figuren, half-engelen/half-mensen en personen met een goddelijke status, zoals de keizer. Er was een  centaur, een figuur uit de Griekse mythologie, maar deze was helemaal niet zo nobel als keizer Titus, integendeel. Misschien verwezen de regisseurs naar die éne andere, Chiron, de leraar  van een aantal helden uit het Griekse epos? En wat doet die dan in een Romeins verhaal?

Vitellia toont zich in een duivelse gedaante, ze is in het rood gekleed met twee rode nephoorns in haar punkkapsel. Ze zet uit haat en jaloersheid de trouwste vriend van de keizer ertoe aan het grootste verraad te plegen door een moordcomplot tegen zijn vriend, de keizer, een duivelse daad.

Waarom de leider van de Praetoriaanse garde, Publius, een soort moerasmens wordt, begrijp ik niet. Sextus kan je als militair zien, maar waarom wordt Annius een renaissance-figuur met één vleugel van een engel? Eigenlijk is het enige personage, dat je kan passen in het verhaal zoals het hoort, Servillia, getooid in het huwelijkskleed met een meterslange bruidssluier.

Het decor, een rotspartij in een donker woud, is wendbaar en wordt (met krakende wieltjes) omgevormd tot een soort elementen die nuttig zijn voor de vele acrobaten die het podium vullen, die zich via touwen laten zakken op het podium om dan weer omhoog te klimmen, die al dan niet door hoepels springen en zich in alle mogelijke vormen kronkelen. Waar het volk de keizer looft en prijst, past dat zeker, maar overdaad schaadt.

Scenisch ben ik deels tevreden, snap ik de bedoeling van de regisseurs, maar door het teveel aan activiteiten op het podium die niet aansluiten bij het verhaal, wordt het wat moeilijk dit tot het einde vol te houden.

Een wereldstem met toekomst !

Ik kan er niet omheen, de ontdekking was de Finse jonge bas-bariton Markus Suihkonen. Hij maakte zijn debuut in de Opéra Royal de Wallonie en vertolkte de rol van Publius (Publio). Acteren deed hij perfect naar de wensen van de regisseurs, maar van heel wat groter belang was en is zijn vertolking. Hij is een van de allerbeste jonge bassen die ik ooit hoorde. Hij beschikt over een stem met een enorme draagkracht, een zeldzame soepelheid, rijke warme kleuren in alle toonhoogtes die hij met zijn brede tessituur moeiteloos haalt. Onthoud deze naam, want hij wordt (is?) dé bas van de toekomst!

Met veel overtuiging vertolkte Anna Bonitatibus de rol van Sixtus (Sesto). Weinige zangeressen slagen er zo goed in een castraatrol waar te maken. Ze is gespecialiseerd in deze rollen en dat hoor je. Wat een enorme professionaliteit koppelt ze aan zeer fijnbesnaarde muzikaliteit. Deze twee zangers maakten de opera tot een muzikaal degelijk gebeuren.

Minder was Patrizia Ciofi die de duivelse Vitallia vertolkte. In de hoogte haalt haar sopraan het bijzonder mooi en rijk, maar in de diepte is ze hees en bereikt haar stem te weinig.

Tito, vertolkt door tenor Leonardo Cortellazzi, blijft eentonig op gelijke sterkte zingen. Jammer en dat zeker in de eerste aria die zoveel eruditie eist. Cecilia Molinari die de kastraatrol van Annio zong, overtuigde in de ernst die Mozart in deze rol heeft gelegd . Hier sluit Veronica Cangemi, de sopraan die Servilla zingt, bij aan, ze levert een verantwoorde interpretatie van een niet zo druk bezette rol.

Het orkest, met de dirigent Thomas Rösner kwam niet altijd even goed over. Des te beter was ook nu weer het koor. Pierre Iodice is wat mij betreft een van de betere dirigenten voor het operakoor.

Al bij al was het een opvoering die er mocht zijn, ook al was het wat zoeken naar de rode draad in de regie. Het is een uitvoering die past in de visie van de directeur, Stefano Mazzonis di Pralafera, van het Waalse operahuis.


  • WAT: La Clemenza di Tito, opera van Wolfgang Amadeus Mozart
  • WIE: Regie / kostuums / choreografie: duo Roussat-Lubek – zangers: Markus Suihkonen, Anna Bonitatibus, Patrizia Ciofi, Leonardo Cortellazzi, Cecilia Molinari, Veronica Cangemi – directie: Thomas Rösner
  • WAAR & WANNEER: Opéra Royal de Wallonie, première 15 mei 2019
  • FOTO’S: © Opéra Royal de Wallonie-Liège