Voor de 8ste editie van het Salzburgse Pinksterfestival onder haar artistieke leiding heeft Cecilia Bartoli als thema Voci celesti gekozen. Ze dacht er reeds lang aan om een programma te wijden aan de hemelse stemkunst van de castraten. Dus stelde ze een programma samen dat de persoonlijkheden van grote castraten zoals Farinelli of Senesino illustreerde, maar eveneens het repertoire dat ze verdedigden en de componisten die voor hen werken schreven – een colloquium en de projectie van de film Farinelli inbegrepen. De hoofdschotel was een scenische opvoering van Alcina van Händel met Bartoli in de titelrol, een productie die in augustus ook in de zomerse Salzburger Festspiele zal te beleven zijn.

In de orkestbak zaten Les Musiciens du Prince-Monaco, een ensemble in 2016 gesticht op initiatief van Bartoli en Jean-Louis Grinda, de directeur van de Opéra de Monte Carlo, met de bedoeling het repertoire van de 17de en 18de eeuw in de best mogelijke omstandigheden én op historische instrumenten uit te voeren. Onder leiding van Gianluca Capuano hebben ze de partituur van Händel tot leven gebracht en met mooie contrasten en een grote precisie vertolkt. Dit gebeurde met een goed gestoffeerd continuo en boeiende instrumentale cadenza’s en zonder daarbij de zangers uit het oog te verliezen. Cecilia Bartoli vertolkte Alcina, die in de enscenering van Damiano Michieletto beslist geen verleidelijke tovenares is. In haar strikt zwart jurkje doet ze eerder aan de strenge eigenares van een hotel denken: een vrouw die blijkbaar angst heeft voor het ouder worden. Ze wordt geregeld geconfronteerd met zichzelf als oude vrouw en zal uiteindelijk wegkwijnen en bijna kaal worden. Af en toe stapt ze door een spiegel die blijkbaar naar een andere wereld leidt. Het is haar geheime wereld waarin ze haar gevangenen ondergebracht heeft. Ruggiero, haar laatste geliefde, zal de spiegel breken en zo, het rijk van de tovenares ontsluiten. Daardoor komen haar gevangen minnaars vrij. Die hebben we reeds verschillende keren kunnen ontwaren achter een grote draaiende, doorzichtige wand: het belangrijkste element van het decor. Op dat ogenblik worden die betoverde gevangenen opnieuw mensen met een eigen identiteit zoals de vader van Oberto, het jongetje dat de hele tijd naar hem op zoek was. Het idee van het hotel, dat ook enigszins uitgewerkt is in het decor van Paolo Fantin, en de typering van Morgana als hostess en Oronte als kelner, wordt verder niet echt ontwikkeld en verdwijnt naarmate de handeling vordert door toedoen van Ruggiero, Bradamante en Melisso. De verschillende gemoedstoestanden van Alcina, tovenares en liefhebbende vrouw die langzamerhand haar macht verliest en op een aangrijpende manier worden vertolkt door Cecilia Bartoli in haar verschillende aria’s, krijgen niet echt hun plaats in de door Michieletto uitgewerkte toneelhandeling. Het volstaat niet de grote doorzichtige wand te laten draaien om dramatische spanning te creëren of een boeiende interactie tussen de protagonisten te ontwikkelen.

Maar gelukkig zijn er altijd de muzikale emoties en de geëngageerde vertolkingen van de protagonisten. Cecilia Bartoli gooit zich eens te meer vol overgave in de vertolking van Alcina, machtige tovenares maar ook liefhebbende vrouw, jaloers, gekwetst en wanhopig. Ze laat ons deelnemen aan haar emoties (Mi restano le lagrime), dankzij haar expressieve stem en virtuoze zangkunst. Als Ruggiero, de minnaar die haar verlaat, doet Philippe Jaroussky zijn mooie, ruime stem schitteren en zijn heerlijk legato bewonderen. Hij ontvouwt zijn interpretatiekunst in adembenemende variaties en emoties. Sandrine Piau geeft de wispelturige Morgana haar scenische présence, nog altijd frisse sopraan én haar geraffineerde interpretatiekunst. Kristina Hammarström zet een kordate Bradamante neer met een eerder licht gekleurde mezzosopraan en wat moeizame coloraturen. Alastair Miles geeft een zekere vocale autoriteit aan Melisso. Christophe Strehl voldoet als Oronte. Bravo voor de jonge Sheen Park (een Wiener Sängerknabe) die de dikwijls ingekorte of zelfs weggelaten partij van Oronte met de virtuoze coloraturen prima vertolkt. Het Bachchor Salzburg maakt een goede beurt.

Polifemo met een knipoog

De tweede opera op de affiche van het Pinksterfestival was Polifemo: een dramma per musica van Nicola Porpora (1686-1768), rivaal van Händel en leraar van Farinelli, die werd voorgesteld in een semi-scenische versie en uitgedacht door de countertenor Max Emanuel Cencic. Paolo Antonio Rolli heeft de mythes van Ulysses, de reus Polyphemus, Calipso en Acis en Galatea gecombineerd in een zwak libretto dat echter Porpora geïnspireerd heeft om een bijzonder rijke partituur te componeren volgestopt met schitterende vocale momenten: recitatieven, aria’s, duo’s en trio’s, zonder een echte dramatische coherentie, maar die de vertolkers de kans bieden om hun vocale kunsten te illustreren, elkaar de loef af te steken en het publiek te charmeren en te  fascineren. In zijn scenische realisatie heeft Cencic de muziek alle ruimte gelaten en het libretto met een knipoog behandeld. Zo zijn Ulysses en Polyphemus piraten geworden, de laatste een brutale dronkaard. De romance tussen Acis en Galatea mag zich mooi ontvouwen, en de geliefden krijgen de kans hun heerlijke muziek te zingen en hun virtuositeit te illustreren. Julia Lezhneva en Yuriy Mynenko hebben het publiek betoverd met hun mooie, soepele stemmen en hun vocale meesterschap. Cencic zette een komische, maar vocaal stevige Ulysses neer. Pavel Kudinov gaf Polyphemus vooral scenische présence en Sonja Runje (Calipso) en Dilyara Idrisova (Nerea) waren zoetgevooisde nimfen met goed harmoniërende stemmen. Het Bachchor Salzburg presteerde wederom prima, maar het orkest Armonia Atenea, gedirigeerd door George Petrou, miste meer dan eens cohesie en precisie.

Het repertoire van de castraten werd ook geïllustreerd in het oratorium La morte d’Abel van Caldara en een Stabat Mater van Pergolesi en in het concert Farinelle & Friends waarvoor Cecilia Bartoli een aantal collega’s had uitgenodigd. Begeleid door het Bachchor Salzburg en Les Musiciens du Prince-Monaco onder leiding van Gianluca Capuano hebben de sopranen Nuria Rial, Sandrine Piau, Julie Fuchs en Patricia Petitbon, de mezzo sopranen Lea Desandre, Ann Hallenberg, Viveca Genaux, de countertenors Christophe Dumaux, Philippe Jaroussky en … Cecilia Bartoli aria’s, duo’s en scènes uit composities van Händel, Porpora, Orlandini, Rameau, Leo, Broschi, Albinoni en Hasse vertolkt. Ingeleid en (onnodig) becommentarieerd door Rolando Villazon die de clown speelde, hebben de zangers het publiek in de eivolle grote zaal van het Grosses Festspielhaus in vervoering gebracht. Er was emotie, virtuositeit, ontdekking, humor en drama, coloraturen in overvloed, feestelijke jurken en algemene geestdrift.

De editie 2020 van het Pinksterfestival (29 mei tot en met 1 juni) zal als thema La couleur du temps hebben en gewijd zijn aan Pauline Viardot-Garcia.