Van 20 juli tot 31 augustus hebben de Salzburger Festspiele 199 uitvoeringen (opera, concert, theater) gepresenteerd. Er stonden negen opera’s op de affiche: vijf nieuwe producties, twee hernemingen en twee concertante uitvoeringen.

De nieuwe producties: Idomeneo (Mozart), Médée ‘Cherubini), Oedipe (Enescu), Orphée aux Enfers (Offenbach) en Simon Boccanegra (Verdi); de twee hernemingen: Alcina (Händel) en Salome (R. Strauss) en de twee concertante uitvoeringen: Adriana Lecouvreur (Cilea) en Luisa Miller (Verdi). Tenslotte was er een productie voor kinderen “Der Gesang der Zauberinsel”(Marius Felix Lange) vertolkt door de zangers van het “Young Singers Project”.

Concertante, dure vehikels

De concertante opera-uitvoeringen waren vooral vehikels voor sterren, minder aanlokkelijk wanneer de ster, in casu Anna Netrebko zich ziek meldde en het publiek de prijs van de kaartjes (tot 330 euro) toch wel wat duur vond! Vier van de opera’s die een scenische uitvoering kregen waren geïnspireerd door mythes uit de oudheid: Médée, Idomeneo, Orphée aux Enfers en Oedipe en kregen heel verschillende ensceneringen. Maar Médée, Orphée aux Enfer en Oedipe hadden jammer genoeg een gebrekkige projectie van de Franse tekst gemeen waardoor het dikwijls onmogelijk was ook maar iets te verstaan!

Paaldansen met Médée

De enscenering van “Médée” van Cherubini was toevertrouwd aan de Australier Simon Stone die vooral een visueel spektakel gepresenteerd heeft met veel toneelwisselingen (decor Bob Cousins), kostuums (Mel Page), licht (Nick Schlieper) en een massa figuranten met als resultaat vrij pittoreske en levendige scènes waarin echter de echte dramatische spanning verloren ging. Een voorbeeld: het telefoongesprek van Médée en Créon die blijkbaar de eigenaar van een nightclub was waarvan Stone ons de activiteiten uitvoerig liet zien, paaldanseressen incluis!. Want uiteraard is de mythe  aangepast aan onze tijd en wordt gepresenteerd met video-beelden, parallel scènes en de inlassing van gesproken fragmenten (door Simon Stone geschreven) die de gemoedstoestanden van Médée weergeven. Haar vertrouwelinge Néris richt haar troostende woorden aan het beeld van Médée dat ze op het televisiescherm ziet terwijl Médée in de luchthaven probeert Créon te  overtuigen haar in het land toe te laten!

In het slottafereel zien we Médée terug in een benzinestation  waar ze haar kinderen in haar auto opsluit alvorens de wagen in brand te steken. Dit gebeurt te midden van een toekijkende massa, Jason en brandweer incluis, die op geen enkel moment proberen om Médée te overmeesteren! Veel lof verdient de Russische sopraan Elena Stikhina die de passie, de wanhoop en de wraak van Médée heeft vertolkt met een  expressieve, ruime stem. Haar scenisch engagement was totaal, haar interpretatie van Cherubini’s muziek vrij persoonlijk maar in ieder geval overtuigender dan de vertolking van Pavel Cernoch die een eerder afstandelijke Jason neerzette en vocaal vrij zwak bleef. Rosa Feola gaf charme en emotie aan Dircé en Alisa Kolosova zong de partij van Néris met een emotie-geladen mezzo. Vitalij Kowaljow was een brullende Créon. Thomas Hengelbrock leidde het ensemble, het Wiener Staatsopernchor en de Wiener Philharmoniker in een eerder brave uitvoering.

De Hulk of toch Oedipe? Alvast muzikaal staande ovatie waard

Onder de muzikale leiding van Ingo Metzmacher scheen de Wiener Philharmoniker veel meer geïnspireerd om de “tragédie lyrique” van George Enescu “Oedipe”uit te voeren, een opera die de laatste jaren een echte erkenning heeft gekregen. Voor de uitvoeringen in de Salzburger Festspiele heeft het festival de Felsenreitschule gekozen als geschikt kader voor dit indrukwekkend fresco en de enscenering toevertrouwd aan Achim Freyer die ook verantwoordelijk was voor decor, kostuums en samen met Franz Tscheck voor de belichting. Benjamin Jantzen zorgde voor de video-beelden. Een hele ploeg dus om uiteindelijk een voorstelling te presenteren die voornamelijk dankzij de muziek tot leven kwam. Deze partituur die een tijdsdocument is (1910-1931) en die de scheppende, strelende en stimulerende handen van Ingo Metzmacher en de weelderige klank en het dramatisch impact van de Wiener Philharmoniker heeft men recht laten wedervaren. Dit natuurlijk ook dank zij de prestaties van de zangers die leven en stem gegeven hebben aan de personages die vooral en voornamelijk deel uitmaakten van de veelkleurige en erg persoonlijke kosmos van de kunstenaar Freyer dan van de wereld van de mythe.

Wat een idee om Oedipe als een combinatie van Rocky en de Hulk voor te stellen! Arme Christopher Maltman die daartoe veroordeeld was maar die er toch in geslaagd is om Oedipe als een man met een lotsbestemming voor te stellen en ons te ontroeren. Niet het minst door zijn intense vocale voordracht. Hij was omringd door een verdienstelijk ensemble van menselijke poppen in Freyers fantasierijke kostuums gehuld die niet bepaald hielpen om de verschillende personages te onderscheiden. Is het omdat hij blind is dat Tirésias rondliep in een soort witte lijkwade die hem volledig bedekte en van waar dan uit de diepte de duidelijk herkenbare maar helaas ook erg vermoeide basstem van John Tomlinson opsteeg.

Er waren mooie, geëngageerde vocale vertolkingen van Eve-Maud Hubeaux (le Sphinge), Chiara Skerath (Antigone), Anaïk Morel (Jocaste), Brian Mulligan (Créon),  de andere leden van de bezetting en de koren. Het publiek dat duidelijk onder de indruk was, vergastte de hele equipe op een ovatie.

Euforische Orphée aux Enfers

Op ontdekkingstocht in de wereld van de mythes beperkten de Salzburger Festspiele zich niet tot het grote dramatische en lyrische repertoire. Er was natuurlijk ook Jacques Offenbach die zich meer dan eens door de antieke wereld heeft laten inspireren. En aangezien men in 2019 zijn 200ste verjaardag herdenkt, stond ook zijn opéra-bouffon ”Orphée aux Enfers” op de affiche in een enscenering van Barrie Kosky, de regisseur uit Australië, directeur van de Komische Oper van Berlijn en een virtuoos kunstenaar met een rijke verbeelding.

Men had aanvankelijk aangekondigd dat het werk in zijn originele Franse versie zou opgevoerd worden maar dat de gesproken dialogen in het Duits zouden zijn. Uiteindelijk waren alle dialogen toevertrouwd aan de Duitse acteur Max Hopp die ook de rol van John Styx vertolkte. Max Hopp heeft die taak met bewonderingswaardige virtuositeit afgewerkt maar het publiek moest werkelijk bijzonder attent zijn om mee te volgen wat door wie gezegd werd in deze door Barrie Kosky gepresenteerde wervelwind. Hij heeft “Orphée aux Enfers” voorgesteld als een grote “farce”, niet bepaald verfijnd maar vol animo, met kostelijke momenten en andere van een soms twijfelachtige smaak in een 1900 theaterdecor van Rufus Didwiszus, kostuums van Victoria Behr, licht Franck Evin en een meestal leuke choreografie van Otto Pichler.

Kathryn Lewek als Eurydice (in négligé, boezem en achterwerk in korset gevangen) sprong van het ene bed in het andere en zong virtuoos met een soepele sopraan en briljante topnoten in haar pogingen om te ontsnappen aan haar musicerende echtgenoot (Joel Prieto met liefelijke tenor) en Aristée/Pluton (uitstekend Marcel Beekman) te volgen naar de hel. Maar ook in het rijk van Pluto verveelt Eurydice zich en is een gemakkelijke prooi voor Jupiter die zich in de vorm van een mooie gouden vlieg aanbiedt (Martin Winkler niet zo overtuigend). Tenslotte en niettegenstaande de inspanningen van de Opinion publique (een majestueuze Anne Sofie von Otter) om orde op zaken te stellen, zal Eurydice een priesteres van Bacchus worden en het spektakel eindigt in algemene euforie, duidelijk zeer gesmaakt door het publiek. Maar ik moet eerlijk bekennen dat niettegenstaande mijn waardering voor individuele prestaties, ik niet bepaald wild was van deze overladen productie. Offenbach werd nochtans goed gediend door de Wiener Philharmoniker , met veel zwier gedirigeerd door Enrique Mazzola. Er waren ook prima prestaties van het koor Vocalconsort, het ensemble van dansers en de hele bezetting die zich geestdriftig in Barrie Kosky’s concept liet opnemen.

Geen betekenisvolle of overtuigende actualizering

Met “Adriana Lecouvreur” (Cilea) en de twee Verdi-opera’s « Simon Boccanegra” en “Luisa Miller » boden de Salzburger Festspiele ook opera’s aan die niet tot de wereld van de antieke mythes behoorden. “Adriana” en “Luisa” moesten zich tevreden stellen met concertante uitvoeringen maar “Simon Boccanegra” kreeg een scenische realisatie in een enscenering van Andreas Kriegenburg (decor: Harald B. Thor, kostuums : Tanja Hofmann, licht: Andreas Grüter, video: Peter Venus). Kriegenburg heeft de handeling van de 14de eeuw naar vandaag verplaatst en presenteerde het volk van Genua als een groep ambtenaars, blijkbaar alleen geïnteresseerd in hun smartphones. Voor het overige was er geen betekenisvolle of overtuigende actualizering van het drama in een handeling die meer dan eens verloren liep in het elegante, ruime, kale decor met koude, grijze wanden.

De personenregie en de evoluties van de koren boden weinig dramatische spanning en emotie was er nauwelijks. Zelfs het orkest, een voortreffelijke Wiener Philharmoniker, gedirigeerd door Valery Gergiev, kon niet echt spanning, leven en warmte brengen in deze steriele omgeving. De bezetting bood nochtans geëngageerde zangers met goede stemmen die wisten hoe men Verdi zingt. Het personage dat de meeste indruk maakte was de Fiesco van René Pape, trotse man, gekwetste vader en geduchte tegenstander met een gezagvolle stem, sonoor en expressief. Luca Salsi gaf menselijkheid en kwetsbaarheid maar ook autoriteit aan Simon met zijn homogene, warm gekleurde bariton. Marina Rebeka was een verliefde en bezorgde Amelia die vooral overtuigde in de meest dramatische momenten maar  wat problemen ondervond in haar entree-aria “Come in quest’ora bruna”. Gabriele Adorno had de onstuimigheid van Charles Castronovo met soepele tenor. André Heyboer leende zijn wat ruige stem aan Paolo en Antonio Di Matteo leverde een degelijke Pietro af. De koren van de Weense Staatsopera presteerden naar wens.


  • WAT: Salzburger Festspiele 2019