Na zijn eerste opera’s ‘Der Kampf mit dem Drachen’ (1876), ‘Guntram’ (1893) en ‘Feuersnot’ (1901), kwam in 1905 de grote doorbraak met het omstreden ‘Salome’. Een opera op een bewerking van het drama van Sófocles, ‘Elektra’, was het begin van een succesvolle samenwerking met vaste librettist Hugo von Hofmannsthal. Zo begint ongeveer het succesverhaal over de, wanneer we de tweede versie van ‘Ariadne auf Naxos’ en ‘Des Esels Schatten’ er bij rekenen, 18 opera’s van Richard Strauss.

U weet dat de muziekwereld dit jaar de 150ste geboortedag van Richard Strauss viert. Zeer succesvol tijdens zijn leven, was Strauss wereldwijd vooral gewaardeerd als operacomponist en zijn positie in de geschiedenis van de muziek is 65 jaar na zijn dood nog steeds onmiskenbaar. Hoewel het middelpunt van zijn leven in het Beierse Garmisch lag, onderhield hij talrijke bindingen met Wenen. Vooral de nauwe contacten met de dichter Hugo von Hofmannsthal, de decorontwerper Alfred Roller en zijn laatste librettist Joseph Gregor verbonden hem met de oude, barokke Residenzstadt. Hij was trouwens in de periode 1919-1924 samen met Franz Schalk, directeur van de Opera van Wenen.

Uitgebreide correspondentie

De jubileumtentoonstelling van het Theatermuseum toont deels voor de eerste keer een selectie van de Strauss voorraad van de in totaal 525 stukken aan correspondentie, handschriften en werkontwerpen uit eigen archief. De tentoonstelling focust op de presentatie van de opera’s ‘Salome’, ‘Elektra’, ‘Der Rosenkavalier’ en ‘Die Frau ohne Schatten’, omdat die elk verschillende perioden van de componist markeren. Voor de laatste drie werken schreef Hugo von Hofmannsthal de libretti en schiep Alfred Roller de decors. Dankzij de uitgebreide correspondentie tussen Richard Strauss en de twee kunstenaars zijn we in de zeldzame positie de samenwerking tussen componist, librettist en scenograaf in alle stadia te volgen. Door Roller kregen de creaties van Strauss en Hofmannsthal vorm op het podium. Zijn overweldigend, symbolisch ontwerp voor de Leeuwenpoort in Mycene in ‘Elektra’ was bv. lange tijd het stijlmodel. Even beroemd werd Rollers scenografie van ‘Der Rosenkavalier’, die op de  première in Dresden en korte tijd later in Wenen te zien was. Nochtans is Roller veel te weinig bekend.

Weense Sezession

Roller studeerde eerst schilderkunst aan de Academie voor Schone Kunsten in Wenen onder Christian Griepenkerl en Eduard Peithner von Lichtenfels, maar raakte ontgoocheld door het volgens hem academisch traditionalisme. In 1897 was hij medeoprichter van de Weense Sezession met Koloman Moser, Joseph Maria Olbrich, Josef Hoffmann, Gustav Klimt en andere kunstenaars die de heersende academische stijl van de Weense kunstwereld afwezen. Hij werd professor tekenen aan de School voor Toegepaste Kunst in Wenen (de Kunstgewerbeschule) in 1899 en voorzitter van de Sezession in 1902. In het begin van zijn carrière was hij zeer actief als grafisch ontwerper en tekenaar. Hij ontwierp tal van covers en vignetten voor de pagina’s van het Sezession tijdschrift ‘Ver Sacrum’, evenals de affiches voor de vierde, veertiende en zestiende Sezession tentoonstellingen. Hij ontwierp ook de lay-out van de tentoonstelling zelf. In 1902 maakte Roller via Carl Moll kennis met Gustav Mahler. Carl Moll was de stiefvader van Alma. Roller liet Mahler verschillende schetsen zien die hij had gemaakt voor Wagners ‘Tristan und Isolde’. Mahler was onder de indruk en besloot Roller de sets te laten ontwerpen voor een nieuwe productie van het meesterwerk. De productie, première in februari 1903, was een groot succes. Roller bleef sets voor Mahlers producties ontwerpen en uiteindelijk ruilde Roller de Sezession en zijn docentschap aan de Kunstgewerbeschule, voor een benoeming tot chef decorontwerper van de Weense Hofopera, een functie die hij bekleedde tot 1909.

‘Die Schweigsame Frau’

Ook minder bekende werken zijn vertegenwoordigd. De twee balletten ‘Schlagobers’ en ‘Josephs Legende’, waarvan het museum decorontwerpen en kostuums bezit die tot nu toe nooit eerder in het openbaar zijn getoond. Na de dood van Hugo von Hofmannsthal in 1929 leek het componeren van opera’s voor Strauss beëindigd te zijn. In 1931 kwam het weliswaar tot samenwerking met Stefan Zweig, die Strauss voorstelde om een libretto naar Ben Jonsons ‘Epicoene, or the Silent Woman’ (1609) te schrijven. Het resultaat werd ‘Die schweigsame Frau’ en het Theatermuseum bewaart het handgeschreven libretto. De plaats van Zweig in het leven en oeuvre van Strauss liep vooruit op zijn samenwerking met Joseph Gregor (1888-1960).

Joseph Gregor, geboren in de prachtige stad Tschernowitz, toen hoofdstad van het Habsburgs/Oostenrijks Kroonland Boekovina (nu Tsjernivtsi in Oekraïne…), studeerde muziekwetenschap en filosofie aan de universiteit van Wenen. Na zijn afstuderen in 1911 werkte hij onder Max Reinhardt als assistent-regisseur en van 1912-14 als docent muziek aan de Franz-Joseph-Universiteit van Tschernowitz. In 1918  kwam hij  in dienst bij de Oostenrijkse Nationale Bibliotheek in Wenen. Hij onderwees ook tussen 1932-1938 en 1943-1945 aan het Max-Reinhardt-Seminar. Een jaar na de verkiezingsoverwinning van en de machtsoverdracht aan de nazi’s vluchtte de joodse librettist Stefan Zweig naar Londen, waardoor Richard Strauss op zoek moest naar een nieuwe librettist.

Oorspronkelijk aanbevolen door Zweig schreef Joseph Gregor drie libretti voor Richard Strauss: ‘Friedenstag’ (1938), ‘Daphne’ (1938) en ‘Die Liebe der Danae’ (1944) alsmede bijdragen aan de teksten van ‘Capriccio’ (1942) en het postuum opgevoerd ‘Des Esels Schatten’. Na de voltooiing van ‘Danae’ werd Strauss in 1940 op voorstel van Heinz Drewes (hoofd van het departement muziek van de Reichsmusikkammer) en van Hans Joachim Moser, (hoofd van de dienst muziek van het Reichsministerium für Volksaufklärung und Propaganda) gevraagd om samen te werken met Gregor om het libretto van de opera (oper mit Tanz) ‘Jessonda’ uit 1823 van Louis Spohr (1784–1859) te herwerken. Deze opera was immers één van de eerste voorbeelden waarin Sprache, Musik und Theater in einem Gesamtkunstwerk verbonden werden. Een idee dat Wagner later magistraal zou uitwerken. Toen Gregor aangeboden werd de tekst van de opera ‘Die schweigsame Frau’ te herschrijven ter vervanging van de tekst van Stefan Zweig, weigerde Strauss dat en trok hij zich ook terug uit het Jessonda project. Gregor was één van de toonaangevende theatergeleerden van zijn tijd. Hij schreef verscheidene standaardwerken en veelgeprezen biografieën van Alexander de Grote, William Shakespeare en Richard Strauss.

De wereldpremière van ‘Die Schweigsame Frau’ in juni 1935 kwam slechts met grote moeite tot stand en de opera werd na slechts vier opvoeringen reeds geannuleerd. Strauss’ controversiële rol tijdens het nazi tijdperk en zijn rol als voorzitter van de Reichsmusikkammer worden in deze context toegelicht.

Een filmzaal met historische en hedendaagse bewegende beelden verlevendigen ten slotte de impressie van zijn legendarisch muziektheater. Deze meer dan schitterende  tentoonstelling werd samengesteld door Christiane Mühlegger-Henhapel en Alexandra Steiner-Strauss en ontworpen door Gerhard Veigel.