Klassiek Centraal onderneemt opnieuw, net als vorige jaren, een poging om u avond per avond een verslag te leveren over het verloop van de Koningin Elisabethwedstrijd. Met onze algemene indrukken van de afgelopen avond schrijven we een korte bespreking per kandidaat.


Eerste finaleavond

Vooreerst wil ik u mijn bijzonder positieve kennismaking meedelen over het opgelegd werk. Dit is een werk voor het algemene repertoire. Zonder enige twijfel. De Finse componist Kimmo Hakola schreef in opdracht van de KEW Viool ‘Fidl’ Op. 99. Het is veel meer dan een plichtwerk dat na de wedstrijd in de archieven belandt. Dit is een geïnspireerde compositie met veel toeters en bellen, maar ook met grote fijngevoelige finesse die aangevuld wordt met alles waar een grondig geschoold jong solist moet aan voldoen qua beheersing van het instrument. Wie niet virtuoos genoeg is, zal door de mand vallen, maar ook wie te technisch is en minder emotioneel haalt niet uit het werk wat er in zit. Dit is voor een jurylid toch wel ideaal om te vergelijken en met kennis van zaken, nog meer dan in door en door gekende vioolconcerto’s, de kandidaat zo objectief als mogelijk te beoordelen. De componist verdient een staande ovatie met zijn compositie voor de toekomst die je ‘nieuwe muziek’ mag noemen met al de effecten die het werk rijk is, en toch met beleving te beluisteren valt.

Kandidaat 1: Luke Hsu (VSA, geb. 24.07.1990)

Zelfzekerheid, dat tekent deze oudste van de 12 laureaten. Zijn technische kunde is bijzonder verregaand en dat hoor je niet alleen in de delen die absolute virtuositeit eisen, maar ook in de zuiverheid van de klank, op enkele minikraakjes van de strijkstok niet te na gesproken.  Het opgelegde werk is puur technisch in zijn uitvoering. Hij mist de bocht van de muzikaliteit en speelt rechtdoor en vooral snel. Te snel? De fijne details die Kimmo Hakola in het werk verborgen heeft, blijven verborgen.

Het vioolconcerto in D Op. 35 van Peter Tchaikovsky wordt op een gelijkaardige wijze uitgevoerd. Zeer technisch, enorm snel waardoor de dialoog met het orkest ontbreekt en dat orkest van katoen geeft om te kunnen volgen. De talloze emoties die een mensenleven ondergaat en die Tchaikovsky de viool laat vertellen, gaan blijkbaar aan de violist voorbij. Deze laureaat moet het hebben van bravoure.

Foto: © Kate Lemmon

Kandidaat 2: Sylvia Huang (België, geb. 20.04.1994)

Wat meteen opvalt bij de inzet van het opgelegde werk is dat onze landgenote niet zo technisch is, maar muzikaler. Ze laat het werk meer zingen, al speelt ze ook wat meer foutjes. Ze heeft het verhaal van Fidl goed begrepen en weet het ons te vertellen op een zachtaardige wijze met fijne accentueringen. Soms te zacht, want het regent in dit werk dubbele en driedubbele forte’s en die haalt ze niet echt uit haar instrument.

Haar keuze voor een concerto viel op het Concerto in a Op. 53 van Antonín Dvořák. Opnieuw valt op dat ze fysiek eigenlijk niet echt sterk genoeg is om het orkest op sleeptouw te nemen. Dat orkest, het National Orchestra of Belgium, trekt zich wat terug om de violiste niet te overstemmen. Soms een onhaalbare kaart voor de blazers die niet alleen in Dvořáks concerto, maar ook in het opgelegde werk een voorname rol vervullen. De Tsjech met zijn Slavisch/Duitse cultureel beïnvloede achtergrond hoor je doorheen het werk en Sylvia Huang borduurt verder mee op de melodieën van de componist. Ze doet dat heel lief, fragiel en in de solsnaar (de ‘zware’ snaar van de viool) krijg je een zeer warme klank die meer weg heeft van een altviool. Heel mooi, maar is al dat lieve aaien wel genoeg om de jury te overtuigen? Ze mist kracht en dat is een zwak punt…

Foto: © Belga