Heeft u zich al eens afgevraagd hoe het komt dat Aziatische kandidaten zo'n hoge ogen gooien op Europese muziekconcoursen? RTBF-journalist Thierry Loreau en regisseur Pierre Barré alvast wel. Het resultaat is een vierdelige reportage waarin gezocht wordt naar de wortels van de oosterse succesformule. 

Heeft u zich al eens afgevraagd hoe het komt dat Aziatische kandidaten zo'n hoge ogen gooien op Europese muziekconcoursen? RTBF-journalist Thierry Loreau en regisseur Pierre Barré alvast wel. Het resultaat is een vierdelige reportage waarin gezocht wordt naar de wortels van de oosterse succesformule. In aanwezigheid van de makers ging de film op 7 mei 2012 in avant-première in BOZAR en later deze maand wordt hij nog driemaal vertoond op de Waalse openbare omroep.

Thierry Loreau en diens vaste partner Pierre Barré zijn met deze documentaire niet aan hun proefstuk toe. Eerder brachten beide heren de belangrijkste etappes uit het (muzikale) leven van Jean ‘Toots’ Thielemans in beeld. In 2010 volgde een met de prestigieuze ‘FIPA d’argent’ bekroond portret van het Collegium Vocale Gent. En nu trekt deze geoliede tandem dus naar het Verre Oosten, op zoek naar verklaringen voor een uniek fenomeen dat zich de voorbije 15 jaar steeds sterker heeft gemanifesteerd: de groeiende aanwezigheid van Zuid-Korea in het domein van de westerse klassieke muziek. In een land arm aan grondstoffen wordt meer dan ooit ingezet op de intellectuele ontwikkeling van de jeugd en het exporteren van talent, zeker ook in de kunsten. Muziek is in dat opzicht evenzeer een belangrijke vorm van innovatie.

Het duo raakte in het bijzonder onder de indruk van het toenemende overwicht dat Zuid-Koreaanse deelnemers aan de Koningin Elisabethwedstrijd de laatste jaren tentoonspreiden. Vorig jaar nog was soprane Haeran Hong (°1981) laureate van de editie zang, meteen de eerste Zuid-Koreaanse die dat huzarenstukje voor elkaar kreeg. En ook in 2012 is het schiereiland met zes violisten het best vertegenwoordigd in de halve finales van het concours. Het begin van een  suprematie vergelijkbaar met die van de Sovjet-Unie in de jaren '60 en '70 van de vorige eeuw? De KEW is overigens niet de enige internationale competitie waar Zuid-Korea met de prijzen gaat lopen. De afgelopen vier jaar wonnen de Koreanen ook de Grand Prix Maria Callas, het Concours Long-Thibaud-Crespin, de Internationale Tsjaikovskiwedstrijd en tal van andere gerenommeerde wedstrijden. Wat is het geheim achter deze even merkwaardige als gestage internationale opmars? Loreau en Barré vellen in hun demystificatiepoging geen oordeel, maar laten de Koreanen zelf aan het woord over de sterke en zwakke punten van hun achtergrond.

In een eerste hoofdstuk, getiteld “het ontwaken” (l'éveil), wordt de kijker meegenomen naar de hoofdstad Seoel. Zang en dans zijn van oudsher prominent aanwezig in de Koreaanse leefwereld, maar het was in de kerk dat de Zuid-Koreanen in contact kwamen met de religieuze muziek uit Europa. Zo getuigt ook het 14-jarige vioolwonder dat ten tonele wordt gevoerd. Via katholieke missionarissen leerde het land in de tweede helft van de 19de eeuw de koralen van Bach en andere stukken van westerse componisten kennen. Recent nam de interesse voor het klassieke repertoire een hoge vlucht samen met de oprichting in 1993 van de Korea National University of Arts (K-ARTS). Dat blijkt bijna twee decennia later een revolutionaire kweekvijver voor talent te zijn. Niet de enige overigens, want ook aan de Seoel National University (SNU) is academische excellentie de norm. Op de schoolbanken wordt niets minder beoogd dan de perfecte technische beheersing van het instrument. De reportagemakers gunnen ons een blik in de krap bemeten repetitieruimtes en laten tal van professoren – zoals de gerespecteerde violist en KEW-jurylid Min Kim – en studenten aan het woord. Met een aperte fierheid poseert een van hen bij de plaatselijke wall of fame. Uitblinken, de beste willen zijn: het maakt onlosmakelijk deel uit van de Zuid-Koreaanse levenshouding. Andere betekenisvolle ingrediënten van de succesformule zijn – evenzeer in de geest van de confucianistische traditie – de grote honger naar kennis en het buitengewone arbeidsethos en concentratievermogen van de Zuid-Koreanen. Koreaanse ouders, en dan vooral de (huis)moeders, cijferen zich volledig weg voor de ontwikkeling van hun kind.

Vervolgens zendt het land zijn muzikale zonen en dochters uit naar Europa. Om “die Europäische Kultur zu spüren”, zoals een pianodocent aan de Hochschule für Musik in München het zo mooi verwoordt. Onder andere in Duitsland kennen de universiteiten een spectaculaire groei aan studenten van Koreaanse origine. Bij onze oosterburen werpen zij geleidelijk aan hun timiditeit af en leggen zich toe op de vorming van hun expressiviteit, zo toont ons het tweede deel van de reportage (la maîtrise). Met een bewonderenswaardige verbetenheid trachten de Zuid-Koreaanse jongvolwassenen door te dringen tot de Europese ziel, teneinde zich een aantal onmisbare gevoeligheden eigen te maken. Voor deze muzikale expats gaat dit gepaard met een ware stijlbreuk. Niet alleen wordt hen opgedragen hun interpretatie van de muziek kritisch te overdenken. Het betekent daarnaast ook leren omgaan met een artistieke vrijheid die haaks staat op de paternalistische onderwijsmethode in het thuisland. De oosterse aanpak stoelt op hard werk en volharding. Maar de discipline die daarvoor nodig is, veronderstelt eveneens een volgzaamheid die de fantasie en creativiteit, nochtans onontbeerlijk in de kunsten, naar het achterplan drukt. “Independence is the most difficult thing”, zo stelt professor Mikyung Lee bij haar jonge landgenoten vast. “If they have a problem, they don't now what to do, they're stuck.” Lee, in 1985 zelf succesvol op de KEW voor viool, plaatst ook serieuze kanttekeningen bij het belang dat in Zuid-Korea gehecht wordt aan competities. “There is no space to talk about anything else”, klinkt het veelbetekenend.

Het derde hoofdstuk (concours) biedt aldus een kijk in de coulissen van de Elisabethwedstrijd. Alle deelnemers ambiëren een briljante solistencarrière, maar zeker voor de Zuid-Koreanen is  er maar één plaats die telt. Met een kamerbrede glimlach vertelt bariton Eunkwang Lee, KEW-finalist in 2011, dat hij op alle belangrijke Europese wedstrijden dezelfde landgenoten tegen het lijf loopt. Een rondreizende bende die hij schalks vergelijkt met de Koreaanse maffia. Onder de noemer consécration komen we in het laatste deel van de documentaire te weten hoe het die bende musici vergaat wanneer de prijzen zijn uitgedeeld. Hun inwijding in het professionele muzikale leven verloopt niet zonder horten of stoten, zo blijkt. In een interview na afloop van de vertoning merkt Thierry Loreau op dat Haeran Hong in België niet meer op het podium heeft gestaan sinds haar historische overwinning in Brussel vorig jaar, en zij is niet de enige die nadien in de relatieve anonimiteit is verdwenen. Nochtans blijft men beter in Europa actief als men carrière wil maken. Zo sluit de reportage af met twee Zuid-Koreaanse zangeressen die goed op weg zijn om het op het oude continent te maken. Eén van hen is de soprane Sunhae Im, die op dit moment in De Munt te beluisteren valt in de Händel-opera Orlando. Zij getuigt onder meer over de vooroordelen waar Aziatische muzikanten moeten tegen opboksen. Sinds haar plaats in de finale van de KEW in 2000 timmert zij onder de vleugels van René Jacobs met succes aan de weg omhoog. “Elle a à la fois un grand don de comédienne mais aussi une grande spiritualité et beaucoup d'humour”, zo spaart de Belgische dirigent zijn lof niet. Het is precies de mengelmoes van westerse en oosterse cultuur, zo is hij ervan overtuigd, die uiteindelijk geboorte geeft aan  iets nieuws. Of hoe de muziek het beste van twee werelden samenbrengt.