“Je bent er vogelvrij / omdat er alles kan.” Wat Kris De Bruyne over Amsterdam zong, brachten onze noorderburen er met de Strijkkwartet Biënnale in de praktijk. Het grootste festival in zijn soort ter wereld richtte een week lang de schijnwerpers op de meest intense en persoonlijke vorm van muzikale expressie. Het relaas van één dag heerlijk luistervinken vanuit het Muziekgebouw aan ’t IJ.

Het is een verbluffend staaltje van Hollands lef om een onderneming als dit op te zetten: een week lang, van de vroege ochtend tot de late avond, werd het strijkkwartet gefêteerd zoals nergens anders ter wereld. De allereerste editie van deze Strijkkwartet Biënnale bracht een twintigtal gerenommeerde en aanstormende strijkkwartetten in Amsterdam samen, en dat voor een ambitieus programma met meer dan dertig concerten, vijf masterclasses, een aantal lezingen, verschillende wereldpremières, coffee talks en flink wat interessante randactiviteiten. Het zijn uitnodigende cijfers die tot de verbeelding spreken. “Nergens zie en hoor je zoveel strijkkwartetten bij elkaar”, zo klinkt het bij artistiek directeur Yasmin Hilberdink in het voorwoord op het lijvige programmaboek. “Dat is niet alleen uniek voor ons, de liefhebbers en luisteraars, maar ook voor de strijkkwartetten zelf. Zij reizen de wereld rond en ontmoeten elkaar zelden. […] Omdat juist ontmoeting, inspiratie en kruisbestuiving noodzakelijk zijn om op dit eeuwenoude genre nieuwe perspectieven te bieden, vormt dit de fundering waar het festival op is gebouwd.”

En er was licht …

Maandagochtend, 29 januari 2018: een Blue Monday die voor een keer goud in de mond heeft. Het is bijna half tien. In de Kleine Zaal van het Muziekgebouw aan ’t IJ begint zo dadelijk het eerste concert van de dag. Nederlanders zijn vroege vogels want de polyvalente ruimte loopt algauw vol. Ook Yasmin Hilberdink is van de partij. We praten even over de totstandkoming van het festival. De Cello Biënnale, ook in Amsterdam en later dit jaar aan zijn zevende editie toe (18-27 oktober), was hoe dan ook een belangrijke inspiratiebron. Maar de voornaamste drijfveer is toch de “schoonheid van het vak” die een week lang centraal zal staan.  De programmering gebeurde in nauw overleg met de musici en heeft – kan het ook anders – de kwaliteiten van een goed muziekstuk: een puike opbouw, veel variatie en een schitterende climax. Het weldoordachte karakter bleek meteen uit de Vroege Haydn waarmee elke dag aftrapte. De keuze voor de zes kwartetten van het opus 20 was allesbehalve lukraak. Want welke muziek uit het rijke strijkkwartetrepertoire past er beter bij het ochtendgloren dan de zogenaamde ‘Zonnenkwartetten’. Maar er is meer, zoals Cibrán Sierra Vazquez in het festivalmagazine beargumenteert. Onder de titel Und es ward Licht! houdt de tweede violist van het Cuarteto Quiroga een lofzang op deze buitengewone bundel die “de symbolische vuurtoren van de westerse instrumentale muziek zou worden.”

Het Quartetto di Cremona liet deze morgen zijn licht schijnen op het eerste kwartet uit de reeks (1772). Een blik op hun concertarchief leert dat deze erfgenamen van het legendarische Quartetto Italiano in België een nobele onbekende zijn. En dat is meer dan ooit zonde. Want de vier heren bespelen sinds enkele maanden een unieke set instrumenten van niemand minder dan Antonio Stradivari. Het ‘Paganini Quartet’, zo lichtte altviolist Simone Gramaglia tijdens de coffee talk toe, verenigt vier speeltuigen die de Cremonese luthier in verschillende fasen van zijn leven bouwde, en die stuk voor stuk aan de mythische vioolvirtuoos behoorden. Na eerdere uitleenbeurten door de Nippon Music Foundation aan wereldvermaarde ensembles als het Tokyo String Quartet en het Hagen Quartett is het mooi om vast te stellen dat deze prachtinstrumenten opnieuw thuis zijn. En ook Haydn voer er wel bij, getuige het gloedvol ingekleurde Affettuoso e sostenuto. Ook de beide hoekdelen werden met overleg en oor voor detail aangepakt, wat resulteerde in een goede balans, fijnzinnige dialogen en snedige motiefjes. Voeg daar nog een vrolijk huppelend menuet tussen (Allegretto) en we kregen zonet een smaakvol muzikaal ontbijt geserveerd.

Het toetje was niets minder dan een wereldpremière die Silvia Colasanti (Rome, °1975) speciaal voor deze Biënnale componeerde. De titel van het stuk – Ogni cosa ad ogni cosa ha detto addio – haalde de Italiaanse bij een dichtbundel van haar overleden landgenoot Valentino Zeichen. Gelukkig was een vaarwel op deze dag nog lang niet van toepassing. Wél werd het ééndelige werk na afloop op een stevig applaus onthaald. Mijn sympathieke buurvrouw vatte het sentiment van het publiek treffend samen: “Nou, dat wil ik meteen opnieuw horen.” De dreigende start, met zijn trillende ritmiek en opvallende flageoletten, bracht je gelijk op het puntje van de stoel. Deze spanning stak schril af tegen de meer contemplatieve, lyrische passages, waarin warmere klanken met ijle boventonen versmolten. “Voor dit tweede idee nam ik enkele harmonieën uit Monteverdi’s madrigaal Darà la notte il sol. Die heb ik met moderne technieken bewerkt, zodat het oude materiaal hoorbaar wordt in een andere gedaante”, getuigt Colasanti op de website van Cultuurpers. Of hoe een hedendaagse blik op ons muzikale verleden tot een meeslepend nieuw resultaat kan leiden. Het was daarom eens zo jammer dat Colasanti deze creatie door ziekte – plankenkoorts? – niet zelf kon meemaken.

Just speak one note

Meteen na de Vroege Haydn daalden de toehoorders naar het eerste foyerdeck af. Terwijl de schepen op het IJ aan het oog voorbijtrokken, gingen daar twee altisten bij Radio 4-presentator Lex Bohlmeijer op de koffie om het fenomeen strijkkwartet te ontrafelen. Samen met Simone Gramaglia werd de vinger gelegd op wat er nu net zo moeilijk is aan Haydn. En het wordt er ook nooit makkelijker op. Spelen in een strijkkwartet is vaak afzien, klinkt het openhartig. Het citaat van een collega dat Jonathan Brown van het Cuarteto Casals zich in dit verband herinnerde, spreekt boekdelen: het duurt twintig jaar om te leren samen te spelen, en evenveel jaren om dat apart te doen. Maar tegenover al dat harde labeur staat ook een grote verrijking en een immens plezier, zoals blijkt wanneer er over de magie van het genre wordt gesproken. De diepgang die je met een strijkkwartet kan bereiken, kent zijn gelijke niet, dixit Brown. Soms bereik je een punt waarop de muziek zichzelf speelt en we als ensemble gewoon moeten volgen. Zoiets is echt uniek, vertelt Gramaglia. Gevraagd naar de rol van de middenstemmen, vallen woorden als beweging en verbinding. En of de heren nog een leuke grap over de altviolist kennen? Nadat de drie andere groepsleden zichzelf als groot solist of concertmeester een prominentere rol hadden toegewenst, was het aan de altist om een wens te doen … Met de gevleugelde woorden “Bring them back!” zet die zijn medespelers opnieuw met beide voetjes op de grond. Hilariteit alom.

Met de glimlach om de mond ging het vervolgens naar de Atriumzaal aan de andere kant van het gebouw. Daar begon een masterclass improvisatie met het Cuarteto Casals en de Italiaans-Canadese (jazz)cellist en componist Lucio Franco Amanti. Zo-even had Brown nog de aanleiding voor dit experiment toegelicht: het Spaanse kwartet had Amanti gevraagd een stuk te componeren voor hun “Beethoven Illuminated Anew”-cyclus. Het doel? Dichter bij het improvisatorische hart van diens muziek komen. Jawel, u leest het goed … Want Beethoven was niet alleen het meesterbrein achter schitterende muzikale structuren, maar als pianist evengoed de strafste improvisator van zijn tijd. Vandaag zijn de klassieke muziek en improvisatie uit elkaar gegroeid. Zeker voor een strijkkwartet is het onbekend en dus onontgonnen terrein. Hoog tijd dus voor een (her)ontdekking. Het vijftal werd daarvoor beurtelings geflankeerd én vooral ook geïnspireerd door vier jonge concourswinnaars: eerst het Quatuor Akilone en het Maxwell Quartet, vervolgens het Noga Quartet en het Rolston String Quartet. Elk van de ensembles reikte daarbij een muzikale bouwsteen aan, gaande van toonhoogte over klankkleur en -intensiteit tot ritme. “Just speak one note”, verzocht Amanti, en het spel trok zich op gang. Wat schuchter begon, zwol aan tot een diffuse wall of sound. Een spannend leermoment voor alle musici, die zich hiermee eens zo kwetsbaar opstelden. Maar waarom werden de rollen niet eens omgedraaid, met de routiniers als aangever? Improvisatie, zo vatte Amanti het samen, “is another way to read music.Hoe anders, zou het Cuarteto Casals tijdens het avondconcert met verve demonstreren.      

Erotische ervaring

Na de middag ging het experiment op de Strijkkwartet Biënnale gewoon door. En hoe! Onder de noemer Extending String Quartet creëerde de organisatie een vrijplaats waar de grenzen van het eerbiedwaardige genre worden opgezocht, en avontuurlijke musici en hedendaagse componisten het publiek op een stevige ‘earopener’ trakteren. De Nederlandse violiste Diamanda Dramm (°1991) kreeg op die manier carte blanche en stelde samen met drie bevriende strijkers een opmerkelijk out of the box-programma samen waarin een aantal welgekozen solostukken de opstapjes vormden voor een uitvoering van het strijkkwartet van Garth Knox (°1956), de gewezen altviolist van het Arditti Quartet. Dramm werkte met Knox als leraar samen aan een speciaal voor haar geschreven serie van acht etudes, die losjes gebaseerd zijn op diens innovatieve Viola Spaces, zo vertelt ze in dit interview voor Vrije Geluiden. Het was met drie van deze Spaces, die vooral een pedagogisch aspect hebben en allerhande moderne technieken van het vioolspel behandelen, dat het concert van start ging. Wat volgde, waren intrigerende performances met geluid als veelzijdig studieobject. Tussen een uitdagende streep Sciarrino door violiste Sarah Saviet en Lachenmanns originele Aktionspartitur Pression door celliste Marie Schmidt, vielen altiste Wenting Kang en de klassiek gestreken schoonheid van Ligeti paradoxaal genoeg uit de toon. Het culminatiepunt van al deze technische hoogstandjes was het driedelige Satellites, het strijkkwartet dat Knox voor het Kronos Quartet neerpende (2015) en door dit onuitgegeven viertal een beklijvende vertolking kreeg. Meer nog dan de verschillende soorten pizzicato uit het beweeglijke eerste deel (Geostationary) of de harmonische spitsvondigheden die daarop volgden (Spectral Sunrise), liet het excentrieke slot een onvergetelijke indruk na (Dimensions). Of wat dacht u van een strijkstok die plots als zweep gehanteerd wordt …

Wat zou de Amsterdamse strijkstokkenmaker Andreas Grütter hiervan denken? Het is alleszins een visuele manier om de strijkstok uit de schaduw van het instrument te halen. En dat is ook wat Grütter met zijn film over het metier beoogt. In Hout, Zweet & Haren – een duidelijke knipoog naar de titel van de documentairereeks over het Koninklijk Concertgebouworkest – toont de geboren Zwitser wat er allemaal bij de fabricage en assemblage van zo’n schijnbaar eenvoudige stok komt kijken. Van het achthoekige knopje over de vele bewerkingen aan de slof en de stang tot het geheim van de goede hoeveelheid haar: elk onderdeel is tot in de puntjes overdacht. En toch moet volgens de ontwerper “echte schoonheid natuurlijk en vanzelfsprekend zijn.” Het is niet de enige ontboezeming in dit onderhoudende portret. Beelden van de vezels die verwarmd worden om het hout buigzamer te maken, doen de temperatuur ook figuurlijk stijgen. “Het is bijna een erotische ervaring om te voelen als de stang toegeeft.” Met rooie oortjes kom ik het cinemazaaltje buiten.

We schuiven langzaam op richting avond en het Muziekgebouw gonst meer dan ooit van de bedrijvigheid. Zo rustgevend het weidse uitzicht over het water, zo geanimeerd ging het er ondertussen binnen aan toe. Hoewel het uitgebreide repertoire voor strijkkwartet vele parels bevat, bestaat er geen definitieve lijst van essentiële, prachtige, grootse of baanbrekende werken die samen de canon van het genre vormen. Deze vaststelling lag aan de basis van Selected by, een programmaonderdeel waarin een strijkkwartet een aantal werken tegenover elkaar zet en op die manier aan de canon van de Biënnale toevoegt. Het Brentano String Quartet mocht in deze reeks de spits afbijten. Het Amerikaanse ensemble, in Europa minder bekend dan hun landgenoten van het Emerson String Quartet, maar toch ook al meer dan vijfentwintig jaar actief en op dit moment kwartet in residentie aan de Yale School of Music, plaatste Mozarts ‘Dissonantenkwartet’ (1785) tegenover de eerste worp van Brahms (1865-1873): twee werken met dezelfde grondtoon, maar in een volkomen tegengesteld gemoed. Vooral de canonisering van Brahms werd door het kwartet met een doorvoeld en inzichtelijk pleidooi kracht bijgezet. De precies getimede doorwerking van het geagiteerde openingsdeel was één brok broeierige energie (Allegro). Eenzelfde intensiteit maakte van de onstuimige finale een eens vurig en dan weer ronduit angstaanjagend polyfoon hoorspel (Allegro). Daartussen klonk een uitstekend gearticuleerde Romanze (Poco adagio), terwijl de gesyncopeerde middenstemmen in het ambivalente Allegretto molto moderato e comodo garant stonden voor een bijwijlen zwoel intermezzo. Minder opwindend, maar evenzeer integer en briljant, was de benadering van Mozart. De onheilspellend dissonante toekomstmuziek waarmee die zijn kwartet laat aanvangen, blijft natuurlijk fascineren, en is op zich al ruimschoots voldoende om een plaats in het pantheon der strijkkwartetten te legitimeren. Maar wat volgde, was een academische lezing die vooral vlekkeloos moest klinken en niet echt onder de huid kroop. Noemenswaardige uitzonderingen waren een begeesterd Trio en de stormachtige passages uit de bruisende laatste beweging (Allegro). De betreurde Robert Mann (1920-2018), gewezen primarius van het Juilliard String Quartet aan wie het concert werd opgedragen, had het beslist graag gehoord.

Geïmproviseerd mediterraans plein

Het avondvullende programma stond quasi-volledig in het teken van Ludwig Van Beethoven. De inleiding op deze laatste twee concerten had opnieuw een opmerkelijke verrassing in petto, met dank aan ene Jean-Paul Ditmarsch. Als verwoed verzamelaar bezit deze man een fantastische lp-collectie van om en bij de duizend platen met daarop uitsluitend strijkkwartetmuziek. De keuze van de luistervoorbeelden bij de inleiding was dus historisch geïnformeerd en presenteerde uitvoeringen uit de jaren ’50 en ’60 door zowel bekende (The Hungarian Quartet) als in de vergetelheid geraakte ensembles (Drolic Quartet). Ondertussen was het Eiris Quartet op het gelijkvloers reeds aan het voorprogramma begonnen. De jongelui, studenten aan het Amsterdams conservatorium, speelden met panache voor uit het ‘Amerikaans’ kwartet van Dvořák: een kleine traktatie voor onze al zo verwende oren. En dan moet u weten dat in de Grote Zaal het befaamde Cuarteto Casals wachtte. Het Spaanse kwartet, uithangbord van het prestigieuze Harmonia Mundi, staat bekend om zijn wisselende bezetting op de eerste viool. Heiligschennis volgens sommigen, maar eigenlijk toont dit gewoon aan hoe allround Vera Martínez en Abel Tomàs wel zijn. Om hun twintig jaar samen te vieren, startte het viertal eerder dit seizoen een intensieve Beethoven-cyclus op. De rijpe vruchten van deze diepgaande studie waren te horen in uiterst boeiende vertolkingen van eerst het vijfde kwartet uit het opus 18 (1800) en vervolgens het kwartet bijgenaamd ‘Harp’ (1809) – niet toevallig twee werken con variazioni. Het was precies in deze vindingrijke delen dat de strijkerscombo luidop droomde binnen de grenzen van de partituur. Case in point? De heerlijk geïnspireerde manier waarop de cellist tijdens de eerste variatie uit het Andante cantabile steeds met een andere kwinkslag aanzette. En zo bevatte elke variatie, ook deze uit het contrastrijke slot van het opus 74 (Allegretto), eens gedurfde en fantasievolle fraseringen, dan weer subtiele dynamische nuances of sprekende accenten. Ook in de zes andere bewegingen maakte het Cuarteto Casals zijn naam als headliner helemaal waar, van de spitante wisselwerking in het finale Allegro van het opus 18 over het satijnzachte besluit van een fragiel en intimistisch Adagio ma non troppo tot het energieke Presto. Maar genoeg gelezen! Via deze link geniet u gewoon zelf van zoveel meeslepend meesterschap.

‘Beethoven op een mediterraans plein’, dat was de ietwat mysterieuze titel van dit avondconcert. Het plein waarvan sprake, werd door Lucio Franco Amanti (Montreal, °1977) met geïmproviseerde klanken gevuld. Het resultaat was ReSolUtIo, een elf minuten durend werk dat de maker op de website van de Biënnale als volgt omschrijft: “A theatre lying lazily on a square in a warm summer sunset light; street musicians playing multicoloured tunes while, from an open window, we hear somebody rehearsing a Beethoven string quartet. Melodies and rhythms start to counterpoint, growing into something so captivating that the quartet can’t resist joining the improvised dance of the street musicians, out in the open. Suddenly, a gentle rain starts to fall. It is time for the quartet members to run back to safety, to briefly dust off their concert clothes and go on stage to perform Beethoven’s ‘Harp Quartet’.” De tweede wereldpremière van vandaag begon tentatief, met muzikanten die het plein als het ware op schuifelden, maar in hun spel al snel aan strijdvaardigheid én sensualiteit wonnen. Het moderne stuk citeert graag uit Beethoven, maar doet minstens thematisch ook sterk aan Boccherini’s Musica notturna delle strade di Madrid denken. En laat dat nu net een geluid zijn dat het Cuarteto Casals op zijn duimpje kent. Rustpunten waren er nauwelijks. Speelsheid en speelvreugde des te meer. En wat gekietel van het hout om mee af te sluiten. Nederlanders zijn gul met staande ovaties – het is een standaardpraktijk, zo werd me verteld – maar Amanti en Casals hadden deze absoluut verdiend.

Beethoven de dwerg

“In zijn laatste kwartetten bracht hij het genre echt tot onovertroffen én onovertrefbare hoogtes, dankzij uitzonderlijke creatieve vondsten en een enorme variatie aan stijlen en emoties […].” De Britse professor Barry Cooper, wereldwijd dé autoriteit op het vlak van Beethovens compositieprocessen, laat er in het programmaboek geen enkele twijfel over bestaan: met zijn late strijkkwartetoeuvre is Beethoven de dwerg, aanvankelijk nog schatplichtig aan Haydn en Mozart, zelf reus geworden. Het zijn die vijf grensverleggende magna opera én de Große Fuge die tijdens de Late Beethoven als slaapmuts dienstdeden, ook al is slaapverwekkend wel het laatste waar deze muziek mee geassocieerd kan worden. Ontzettend veeleisend is het uiteraard wel, zo getuigt Nina Lee, de celliste van het Brentano Quartet die zowaar naast me in de zaal zit. Ze is verder vol lof over de fijne “vibe” die er op het festival heerst – geen showcase zoals op de biënnale in Parijs eerder deze maand – en spreekt van de camaraderie onder de kwartetten. Mooie woorden alvorens het Ruysdael Kwartet het grote podium betrad en de lichten doofden. Op de pupiters stond het opus 131 (1826). Het Nederlandse ensemble switchte gevat tussen de talrijke tempi en hield er zeven delen lang de spankracht in, van de grootst mogelijke innerlijke beschouwing tot de exuberantste expressiviteit. Magisch was het moment waarop de partituur van primarius Joris van Rijn even de grond opging en de muziek – de woorden van Simone Gramaglia indachtig – gewoon zichzelf leek te spelen. “In een strijkkwartet spelen […] is vergelijkbaar met het beklimmen van een berg: de moed hebben, zware momenten tegenkomen, maar ook de overwinning als je de top bereikt hebt”, aldus altist Gijs Kramers. Die overwinning kwam er met een bijzonder geestdriftige apotheose (Allegro).

Terug in het festivalhotel. Jonathan Brown en de leden van het Rolston String Quartet zitten in de lobby nog wat na te kaarten. De geest van ontmoeting, inspiratie en kruisbestuiving waar de organisatie naar streefde, hangt werkelijk overal. Haar missie op deze eerste editie van de Strijkkwartet Biënnale Amsterdam is met glans geslaagd. Het ronduit prachtige opzet brengt het strijkkwartet niet alleen bij de tijd, maar geeft het genre ook een meer dan veelbelovende toekomst. Of om Amsterdam van Kris De Bruyne te parafraseren: “In het Muziekgebouw / is het zeer dikwijls feest.” En zo was het ook op deze maandag om te koesteren. Afspraak dus op het volgende festijn van 25 januari tot en met 1 februari 2020.


  • WAT: Strijkkwartet Biënnale Amsterdam (27 januari t/m 3 februari 2018)
  • WIE: Quartetto di Cremona, Quatuor Akilone, Maxwell String Quartet, Noga Quartett, Rolston String Quartet, Diamanda Dramm, Sarah Saviet, Wenting Kang, Marie Schmidt, Brentano String Quartet, Eiris Quartet, Cuarteto Casals, Lucio Franco Amanti, Ruysdael Kwartet
  • WAAR: Muziekgebouw aan ’t IJ, Amsterdam
  • WANNEER: maandag 29 januari 2018
  • WEBSITE: http://www.sqba.nl/
  • CREDIT FOTO’S: © Klassiek Centraal, Ben Bonouvrier & Komeda Films