In het glooiende en gloeiende landschap van de Crete Senesi, ten zuiden van het Toscaanse Siena,  organiseren Philippe Herreweghe en zijn ploeg nu al 19 jaar een zomers muziekfeest. Zijn fans willen hem blijkbaar niet alleen in eigen land bezig zien en horen, maar ook in de buurt van zijn buitenverblijf. En als je op de openingsavond arriveert op het kleine gemeenteplein van Asciano, de thuisbasis van het festival, kan je inderdaad kennismaken met tal van landgenoten. Maar je hoort er ook Frans, Engels, Duits, zelfs Italiaans en natuurlijk Gents. Veel volk dus: 4968 tickets verkocht. Vooraleer het festival volgend jaar zijn 20ste verjaardag viert, wou ik eindelijk eens in dat warme muziekbad duiken. Reisorganisaties genoeg die je er heen willen brengen. Ik koos voor Cimarosa en schreef bijgaand reis/recensieverslag.  

De concerten op de zondagse openingsavond (28 juli) vormden een “Soirée Composée”, zo stond het in het programmaboek. Starten deden we met een liedrecital in de Chiesa San Francesco van Asciano. Een Russisch programma met weinig bekend werk: de vocalises van Prokofiev en – even onbekend – liederen van Rachmaninov. Het tweede concert daarentegen was met overbekend werk: suites en ouvertures van Telemann, overtuigend gebracht door het jonge, internationaal samengestelde Ensemble Masques. Tegen de late avond aan, een derde optreden. Een adembenemend Mala Punica zong en speelde Johannes Ciconia, motetten van rond 1400. Je kan hem eigenlijk nog geen polyfonist noemen, en nog minder een Vlaming. Hij is in Luik geboren, was lang in Padua bedrijvig en is eigenlijk meer een voorloper van de polyfonie. Of, anders gezegd, een polyfonist van de ‘nulgeneratie’. Paul van Nevel schreef al in 1981  een grondige monografie over hem. Ciconia componeerde in een mix van de toenmalige Franse en Italiaanse stijlen. Wat het gezelschap van Mala Punica (sopraan, mezzo en 2 tenors, aangevuld met vier spelers op oude instrumenten) er van maakte, was om stil van te worden. Dat was nu eens genuanceerde perfectie door pure professionals, aangestuurd door een immer originele en – letterlijk – dansante Peter Memelsdorff. Hoe die muziek toen moet geklonken hebben, weten we niet. Nu klonk ze gewoon subliem en subtiel, waarlijke Ars subtilior.

Franse avond op maandag en opnieuw in de San Francesco kerk van Asciano, hét centrum van het Collegium Vocale Crete Senesi-festival. Met Debussy, Roussel en Dutilleux. Achteraan in de kerk klinkt poëzie op fluit: het serene Syrinx. De kern van Debussy’s muziek gevat in nauwelijks drie minuten. Impressionistisch, maar zelf vond hij het een term ‘uitgevonden door een imbeciel’. Toch gaat zijn muziek zo door het leven. Het enige strijkkwartet dat hij schreef was het tweede werk op het programma. Het zijn orkestleden uit het Antwerp Symphony Orchestra, Herreweghe is er eredirigent. Vier vrouwen, maar nog niet echt een hecht kwartet vormend. Volgde een trio voor fluit en strijkers van Albert Roussel, een geslaagde kennismaking met zijn werk. En tot slot, Henri Dutilleux, een mooi strijkkwartet uit 1976 dat nog altijd schatplichtig klonk aan de radicale vernieuwer die Debussy toch was. En tussendoor kon ik het niet laten om door het openstaande kerkportaal te kijken naar de zon, kleurig ondergaand boven het Toscaanse landschap. Toepasselijker kon de belevenis niet worden bij Dutilleux’ Ainsi la nuit.

Warm en diepdonker

Opnieuw een mooie locatie voor het middagconcert op dinsdag, het stemmige kerkje van Santo Stefano in Castelmuzio. Beethoven dit keer met het Edding kwartet, twee mannen, twee vrouwen. Die klonken al als een echt en hecht kwartet, goed ingespeeld op mekaar, ook al begonnen ze pas in 2007 met hun samenspel. Eerste violist Baptiste Lopez gaf vooraf zelf uitleg over dat opus 127 van de grootmeester. Hij noemde het een zeer intiem werk. En dat was zeker te horen in dat héél lange Adagio. Warm klonk dat en diepdonker, omzwachteld als het ware door de darmsnaren waarop ze spelen, en onstuimig eindigend in het finale Allegro. Niet onmiddellijk het meest wrange van die laatste reeks kwartetten die Beethoven schreef. Het was het eerste. De reeks was een bestelling  van een reddende engel – een Russische aristocraat – die Beethoven  ermee financieel en ook moreel uit de nood hielp.

Voor het laatavondconcert alweer een mooie kerk, Sant’ Anna di Camprena, in Pienza, en alweer verzamelden zo’n 500 getrouwen van het Collegium Vocale voor hun festival in de Crete Senesi. Heinrich Schütz is er ons deel, en zijn opus 1, zijn madrigalen. Seculiere liederen, met volop tekstexpressie in de toonzetting. Wanneer de poëet schrijft over de vluchtige tijd, dan maakt de componist dat je die tijd hoort vlieden in noten én uitvoering. Wanneer de zangers over de wind zingen, waait het in de noten en de stemmen. Zoals dat hoort bij Schütz én Herreweghe. Op en top het waarmerk van zijn Collegium Vocale.

Klasbakken

Op het middagconcert op woensdag was er een solist met een naam als een klok: Pieter Wispelwey. Toen we toekwamen, opnieuw in Castelmuzio, zat de cellist ineengedoken in een donker hoekje van het kerkje zijn instrument bij te stemmen. Maar eenmaal op het podium, gezeten op een hoge kerkstoel en voor iedereen te zien, bleek hij heer en meester over zijn instrument, zijn kostbare Guadagnini uit 1760. Hij vertelde vooraf hoe vocaal een cello wel was, zei dat hij eerst ter kennismaking een prelude uit de cellosuites van Bach zou spelen, dan een cellosuite van Britten en nog een van Ligeti en dan pas zou voortdoen met Bach. Interessant programma, maar toch jammer van die Bach-split. Uiteraard was alles klasse, en hij deed het van tijd tot tijd, als het ware in zalige verrukking,  met de ogen “ten hemel opgeslagen”. Bij Britten speelde hij dat moeilijke Presto gewoon virtuoos.

Nog een klasbak én een topwerk ’s avonds: Christoph Prégardien met Die schöne Müllerin. Twintig gedichten onaards mooi getoonzet door Schubert. Wanneer en waaraan herken je de kwaliteit van een zanger? Aan volume of volumebeheersing? In de stille of forte passages? Onze tenor kan het allebei, nog niet op zijn retour, ook al is hij 63. Soms iets te luid lijkt me, om de passende tolk te zijn van die bedeesd verliefde jongeman. Reisbegeleider en musicoloog Pieter Bergé maakte zijn reisgenoten attent op iets anders, een iets teveel aan toegevoegde, kleine eigen versiersels van Prégardien bij de vertolking van Des Baches Wiegenlied. En ja, het zit hem in de nuances. Dat voordeel heb je als je meereist met een organisatie die een musicoloog inhuurt. Nog dit: het viel me opnieuw op hoe erg de pianobegeleiding zich in de lagere en donkere regionen bevindt en hier ook hoe prachtig Schubert elk lied uitgeleide doet, en pianist Michael Gees hield er zich aan.

Niet voor dovemansoren

Programmawijziging voor het pianorecital op donderdagmiddag: de Argentijnse sterpianist Nelson Goerner vervangt  Liszt (onder meer zijn Villa d’Este) door Chopin. Dat zal het publiek ook bevallen natuurlijk. En het blijft tenslotte dezelfde pianist. En hoe speelt hij toch. Bij de Nocturne (opus 48, 1-2) van Chopin laat hij mooi de laatste noten uitsterven. En bij het Scherzo dat hij ons serveert hoor je de noten  als druppels water even klaterend wegvlieden als bij Les jeux d’eaux à la Villa d’Este van Listz, zij het met een stormachtig eindspel. Dan volgt Blumenstück, een werkje van de jonge Schumann, altijd schijnbaar eenvoudig, en romantisch. Maar met Beethovens Appasionata komt pas de echte romantiek. Ook al klinken de eerste noten van dit bekende werk eenvoudig, het breekt vrijwel onmiddellijk los in de ware genialiteit van Beethoven. Niet voor dovemansoren – sorry voor de vergelijking – maar hoe kreeg hij dat toch uit zijn dove kop. Geniaal moet je zijn. En ook al begint het tweede deel ingetogen, het stuk eindigt in virtuoos pianospel, ook van uitvoerder Nelson Goerner. Donderend applaus natuurlijk. Er kwam een toemaatje, en dan nog een, en welk! Minstens tien minuten lang improviseerde (?) hij  een potpourri op de walsen van Johan Strauss. Misschien een les voor ons, tenslotte een nogal elitair publiek. Om ons er attent op te maken dat ook die populaire tonen de moeite waard zijn om te offeren op het altaar van de klassieke muziek. Zo verstond ik toch de boodschap.

Samen met het optreden van Mala Punica, was die Goerner een van de hoogtepunten van dit genereuze Collegium Vocale-festival. En genereus mag je wel zeggen, als je voor elk concert bovendien verwelkomd wordt met een hapje en een tapje en als je op de openingsavond op de Piazza del Grano in Asciano (de gemeente die mee organiseert) met zijn allen kan aanzitten aan lange tafels voor een uitgebreid en lekker buffet – dat niettegenstaande het dreigende onweer toch kon doorgaan dankzij het improviserend talent van het organisatieteam. En dan zwijg ik nog over de andere avonddiners, begrepen in je abonnement.

Accentueren, verklanken, verbeelden

Op de slotdag vormden zes leden van het Concertgebouworkest Amsterdam een sextet om Wagner en Brahms te brengen. Het Vorspiel zu Tristan und Isolde in een bewerking voor strijksextet. Maar om mij het gebruikelijke kippenvel te bezorgen bij dat Tristan-akkoord over de onmogelijke liefde, miste ik toch wel het klankvolume en de grootsheid van het Concertgebouworkest full house, en zeker op dat aanzwellend crescendomoment. Maar kwaliteit was er zeker, je verwacht ook niks anders van de leden van zo’n orkest en ze brachten ons met hun spel naar de bodemloosheid van die oneindige melodie. Toch zat het sextet passender bij het klankidioom van Brahms. Prachtige rol – ook nu weer – voor de twee cellisten. Prachtig om zien ook hoe de leden niet enkel naar hun partituur keken of hun instrument maar ook naar elkaar. Zo hoort het bij muzikanten die met mekaar zitten te dialogeren.

Het slotconcert op vrijdag 2 augustus moest natuurlijk komen van het Collegium Vocale zelf. Opnieuw met Schütz, maar nu sacraal werk: een selectie uit zijn Psalmen Davids en bijna tien jaar later gecomponeerd dan de madrigalenbundel die we eerder in de week konden horen. Maar ook hier weer die schrijfwijze, zoals hij zelf verklaart, “op z’n Italiaans”. Maar nu duidelijk ingepast in ook de Duitse protestantse koortraditie. In het programma zijn ook, tussen de psalmen door, twee canzone opgenomen van zijn Venetiaanse leermeester Giovanni Gabrieli. Van hem leerde Schütz het schrijven voor meerdere koren. In de grote San Marco-basiliek kon Gabrieli die zangers letterlijk tegenover mekaar opstellen. Ook hier in de kleine Sant’Anna Camprena kerk stonden de twee groepjes zangers min of meer tegenover mekaar, maar het beoogde stereo effect was wellicht niet wat je ooit had kunnen horen in de San Marco. Bij Schütz moesten melodie en ritme de betekenis van de tekst accentueren, verklanken, verbeelden. Tekstverstaanbaarheid was de leidraad in zijn schrijven. Hij vertaalde de tekst in muzikale bewoordingen. En laat tekstexpressie nu ook hét waarmerk zijn van het Collegium Vocale en vooral van hun dirigent. Maar of de mensen toen (en nu) die psalmen echt konden verstaan blijft toch een vraag. Wij, concertgangers, hadden een tekstboekje. Kenden de kerkgangers ten tijde van Schütz die lange psalmen echt van buiten, zoals katholieken ooit de “aktes van geloof, hoop en liefde”? Maar onder de indruk kom je wel, zeker nu en wellicht ook toen. Met de stemkracht én de finesse van de solisten, hun perfecte dictie en ondersteund door het instrumentaal ensemble was dit een slotconcert meer dan waardig. Op naar de jubileumuitgave van 2020. Met even geweldige topmusici, topwerken en topteam.


  • WAT: Telemann, Prokofiev, Rachmaninov, Debussy, Roussel, Dutilleux, Beethoven, Schütz, Bach, Ligeti, Britten, Schubert, Mozart, Schumann, Chopin, Wagner, Brahms.
  • WIE: orkestleden van het Antwerp Symphony Orchestra en het Concertgebouworkest Amsterdam, Edding Quartet, Collegium Vocale Gent, Pieter Wispelwey, Christoph Prégardien, Michael Gees, Ensemble Masques, Nelson Goerner, Mala Punica, Eleanor Lyons, Stanislav Solovev
  • WAAR: in de kerken van Asciano, Castelmuzio en Pienza, allemaal gemeenten in de Crete Senesi streek
  • WANNEER : zondag 28 juli tot en met vrijdag 2 augustus 2019
  • WEBSITE: https://www.collegiumvocalecretesenesi.com/