*** Het is wel eens leuk een opera uitgevoerd te zien op de locaties waar het verhaal zich afspeelt. Producer Andrea Andermann koos drie opera’s waarvan de specifieke plaatsen zich uitstekend lenen tot een verfilming. Bovendien zijn het toppers uit het repertoire: Verdi’s La Traviata en Rigoletto en Puccini’s Tosca. Maar de ene film is al beter geslaagd dan de andere, en dit om diverse redenen.

Rigoletto: verbluffend knap

Als de film gemaakt is zoals Verdi’s Rigoletto door Marco Bellocchio, dan is het een schot in de roos, vooral ook omdat de échte opera-vereisten perfect gerespecteerd zijn. Rigoletto in de historische locaties van het Palazzo Ducale en Palazzo Te in Mantua heeft door de weelde aan interieurs en kostuums toch wel iets speciaals. Een hertog met zijn hofhouding inclusief nar in de rijke context van het Renaissancepaleis: het geeft de kans je even te verplaatsen naar de zestiende eeuw, waarin het stuk van Victor Hugo (Le roi s’amuse) en Verdi’s opera zich afspelen. De film is zodanig gemaakt dat het drama wordt voortgestuwd, met tussentonelen die heel even de kans bieden om op adem te komen dankzij de rustgevende momenten op de meren rond Mantua.

De personenregie is oersterk, uiteraard geholpen door de zangers die rasacteurs zijn. Een aangrijpender Rigoletto als Plácido Domingo is nauwelijks denkbaar. Zijn mimiek grijnst als nar en wanneer hij spot met de hovelingen, maar evengoed vertrekt hij zijn gezicht van pijn en afgrijzen bij het tragische lot als vader. Vocaal beheerst hij de partij schitterend. Zijn aria Cortiggiani vil razza dannata is zowel een uiting van scherpe satire als diepe pijn. Het vaststellen van Gilda’s dood gaat door merg en been. De ontvoering met de bangelijke maskers, de afspraak met Sparafucile en de scène met Maddalena zijn voorafspiegelingen van de horror. De storm in het derde bedrijf is ijzingwekkend geregisseerd. Sparafucile is trouwens vertolkt door een andere legendarische zanger, Ruggero Raimondi.

Julia Novikova is een aandoenlijke Gilda, naïef en simpel, dromerig, kortom een tedere verschijning met mooie stem en coloratuurklank. Vittorio Grigolo zet dan weer een knappe Duca neer. Zijn stem is expressief met soms wat te veel vibrato en te weinig klank in de pianopassages. Maar zijn aria aan het begin van het tweede bedrijf (Parmi veder le lagrime) is oprecht zeer mooi, en hij speelt fantastisch.

Zubin Mehta dirigeert in het Teatro Scientifico Bibiena in Mantua een geëngageerd en gedetailleerd spelend orkest, het Orchestra Sinfonica Nazionale della Rai.

La Traviata: gekunsteld

La Traviata in Parijs geeft jammer genoeg een ander resultaat. De locaties zijn zeker met zorg gekozen en worden telkens aan het begin van elk bedrijf aangegeven. Het feest in het salon bij Violetta in het eerste bederijf is in L’Hôtel Boisgelin, het tweede bedrijf in Versailles’ Le Hameau de la Reine, het feest bij Flora Bervoix in Le Petit Palais en het appartement waar Violetta sterft op L’Îsle Saint-Louis. Maar zo overtuigend Rigoletto overkomt, zo gekunsteld lijkt me de enscenering die Giuseppe Patroni Griffi maakte van La Traviata, met overdreven en gezochte poses en gestiek en festiviteiten die ouderwets overkomen. De avondscènes spelen zich bovendien bij daglicht af. Vreemd. De personenregie verslikt zich in clichés met bijvoorbeeld handen die elkaar zoeken onder een voile tafelkleed of een bord dat breekt als pseudo-symbool van de breekbare liefde waarover Alfredo en Violetta het hebben in het duet in het eerste bedrijf. Ook het duet tussen Violetta en vader Germont mist kracht, door de twee te laten rondzwerven in de (zij het prachtige) tuin van het landhuis. Ook het spel met de matador op het feest bij Flora is overdreven gezocht en onbenullig, net zoals de idiote oosterse kostuums. De regisseur heeft met te veel fantasie de “zigeuners” uit de libretto-aanwijzingen willen uitbeelden. Een geslaagde passage is wel als Alfredo Violetta vernedert als hoer en terechtgewezen wordt door zijn vader. In het vierde bedrijf mijdt de regie het tonen van gezichten – alles blijft in schaduwtinten, wat ook weer een artificieel aspect aan de uitbeelding geeft, en de sublieme aria Addio del passato mist zo ontroering. Het zacht walsen op de muziek van de twee geliefden in Parigi, o cara, noi lasceremo biedt daarentegen een van de mooiste en tedere momenten van de film. Enigszins vreemd, maar wel origineel, is dan weer dat Violetta dood tegen het raam neervalt. Sfeervol luiden dan de doodsklokken over de Seine.

Nog meer jammer vind ik dat de zangers ontgoochelen. Eteri Gvazava is schril en zingt met onverstaanbare dictie. In het tweede bedrijf klinkt ze flauw en mist ze absoluut verdediging van haar liefde. In de sterfscène lijkt ze iets meer haar stem te beheersen en ontroert ze wel met een mooi piano, maar globaal is ze zeker geen Violetta om naar uit te kijken. José Cura is nooit een favoriet zanger van mij geweest en dat krijg ik hier nog bevestigd. Hij klinkt kelig, mist alle glans op de stem en zijn openingsaria is ronduit monotoon. Rolando Panerai zijn stem is versleten, mist legato en bovendien acteert hij houterig. Zowel Siccome un angelo als zijn nochtans prachtige aria Di provenza il mar zijn een ramp. Deze La Traviata op locatie toont dus hoe film geen garantie is voor een mooie voorstelling.

Tosca: verleidelijk en vastberaden

Gelukkig krijgen we in Puccini’s Tosca opnieuw een film die recht doet aan de operakwaliteit. Ook hier is gefilmd “nei luoghi e nelle ore di” (op de plaatsen en op de tijd van). In het eerste bedrijf krijgen we de prachtige ruimte van de kerk Sant’Andrea della Valle, met de kapel waarin Angelotti zich verschuilt. In het tweede bedrijf betreden we de grandioze zalen van het Palazzo Farnese. En in het derde bedrijf wordt knap gespeeld met de beelden van de engelen op de burcht, die soms als het ware Cavaradossi in de armen nemen. Castel Sant’Angelo biedt ook een mooi zicht op Rome en Sint-Pieter. Pluspunt hier is vooral dat we opnieuw drie grandioze zangers-acteurs te zien krijgen. Plácido Domingo laat zijn stralende tenorstem horen als Mario Cavaradossi en overweldigt vanaf de eerste aria Recondita armonia. Catherine Malfitano is met haar dramatische stem en superlatief acteertalent een ideale Tosca: een en al verleidelijkheid en vastberadenheid. Ruggero Raimondi is een wreedaardige Scarpia. De drie zangers hebben een sterke expressiviteit en overtuigend acteertalent. De emoties van liefde en haat worden uitvergroot tot extreem, maar steeds aangrijpend verisme. De gestiek durft al eens overdreven zijn, tot het pathetische toe, maar het draagt bij tot de adembenemende spanning van het verhaal en past in de overweldigende ruimten. Het derde bedrijf zet in met een mooie vreedzame prelude van de hoorns als inleiding op de lugubere begeleiding van de soldaten naar de executie. De belichting zorgt voor een sfeer van angst en onrust. Tosca is hier nog eens haar pathetische zelf en het slotbeeld van de engel met het zwaard is beklijvend.

Een knappe film die de balans van de drie dvd’s naar positief doet overslaan, te meer dat we door het samengaan van Rigoletto en Tosca een fantastisch spectrum krijgen van het dubbeltalent van een van de meest sublieme operazangers van de laatste vijftig jaar: Plácido Domingo als tenor én als bariton. Opnames dus die zowel de “die hard operaliefhebber” bekoren als een boeiende introductie tot opera kunnen zijn.


  • WAT: Giacomo Puccini (1858-1924) – Tosca | Giuseppe Verdi (1813-1901) – Rigoletto & La Traviata
  • PRODUCER: Andrea Andermann
  • REGIE: Marco Bellocchio (Rigoletto) | Giuseppe Patroni Griffi (La Traviata & Tosca)
  • STEMMEN: Plácido Domingo, Ruggero Raimondi, Catherine Malfitano (Tosca) – Plácido Domingo, Julia Novikova, Vittorio Grigolo (Rigoletto) – Eteri Gvazava, Rolando Panerai, José Cura (La Traviata)
  • MUZIEK: Orchestra Sinfonica Nazionale della Rai o.l.v. Zubin Mehta
  • UITGAVE: Rada Film Group (4 dvd’s)