**** Na de viering van drie reuzen van het operarepertoire vorig jaar – Verdi, Wagner en Britten – wordt dit jaar opnieuw een van de grote componisten van het genre gevierd. Want op 11 juni 2014 is Richard Strauss precies honderdvijftig jaar geleden geboren. Het label Mariinsky brengt in het begin van dit jaar meteen een van diens bijzonder complexe én veeleisende meesterwerken: Die Frau ohne Schatten.

**** Na de viering van drie reuzen van het operarepertoire vorig jaar – Verdi, Wagner en Britten – wordt dit jaar opnieuw een van de grote componisten van het genre gevierd. Want op 11 juni 2014 is Richard Strauss precies honderdvijftig jaar geleden geboren. Het label Mariinsky brengt in het begin van dit jaar meteen een van diens bijzonder complexe én veeleisende meesterwerken: Die Frau ohne Schatten.

 

Zoals in de meeste van zijn opera’s gaat Strauss op zoek naar de relatie tussen man en vrouw. Hij focust daarbij vooral op de psyche van de vrouw. Ook in Die Frau ohne Schatten bepaalt de verhouding van de Keizerin tegenover haar man het verloop van het verhaal, dat evolueert van een soort liefdeloze, afstandelijke relatie naar begrip en overgave. De vrouw werpt geen schaduw, is in andere woorden niet tastbaar-menselijk, wat zich vertaalt in onvruchtbaarheid. Strauss zet – ook zoals meestal – een ander type vrouw tegenover haar. Dat is in dit geval de vrouw van Barak. Barak en zijn vrouw zijn een totaal tegengesteld type koppel en Strauss brengt de twee met elkaar in confrontatie en haalt daar de uiteindelijke catharsis uit voor de Keizerin.

 

Tegengestelde leefwerelden

 

Regisseur Jonathan Kent produceerde al opera in Santa Fé, Covent Garden en op het Glyndebourne Festival. Hij regisseerde eerder Strauss’ Elektra in het Mariinskytheater. De Keizer en de Keizerin in Die Frau ohne Schatten behoren tot een bovenaardse, magische wereld, edel en aristocratisch, maar steriel. Kent kiest voor een uitdrukkelijk oosters geïnspireerde setting voor de Keizer en de Keizerin: een mysterieuze omgeving met indrukwekkende paleispoort. Ze dragen pompeuze kostuums in zijde met veel goud en voor de keizerin jugendstilachtige bloemopdruk. De Keizer – die een jager is – doet aan een Samurai-strijder denken.

 

Het bedrijf bij Barak en zijn vrouw brengt ons in een totaal tegengestelde leefwereld: een armoedige, hedendaagse kamer met kringloop-meubelen. Ze is tegelijk werk- en woonkamer. Alles gebeurt er: koken, tv-kijken, slapen. Ook de machines voor de ververij van Barak staan er en zelfs de auto waarmee Barak zijn “waren naar de markt brengt” staat half in deze kamer. Baraks vrouw is een ordinaire vrouw die de plak zwaait over haar man, maar ook gefrustreerd is. Dat maakt Kent aan kleine details duidelijk, zoals het knuffeltje dat ze koestert. Barak komt wel liefdevol over, maar de regie maakt duidelijk dat er een grote afstand is tussen het koppel. Er is gebrek aan communicatie en ook zij zijn op hun manier ongelukkig. De metamorfose van de Keizerin en de Amme als ze wisselen van hun etherisch bestaan naar bezoeksters van de woning van Barak, waar de Keizerin een schaduw hoopt te kunnen vinden, is zeer geslaagd.

 

Rijk gestoffeerde regie

 

Kent maakt in zijn personenregie duidelijk dat het ongenoegen van Barak over het vreemde bezoek het “wereldse” koppel nog meer uit elkaar drijft, met grote weemoed van Barak tot gevolg. Bepaalde effecten zijn voor een hedendaags publiek misschien wat te letterlijk uit het libretto gehaald en komen vergezocht en niet erg waarachtig over (het zwaard dat in Baraks handen tot een bangelijk wapen wordt). De scènes met de kinderen daarentegen zijn schitterend en hun tweede optreden is in al zijn drukte en carnavaleske sfeer een originele vondst. De kinderen spelen en zingen bovendien schitterend.

 

De onwerkelijke scènes baden vaak in een magisch blauw licht, dat plots verdwijnt bij terugkeer naar de realiteit. Regie en belichting werken graag met optische effecten van wolkenslierten, soms met zwevende vogels. Het is esthetisch geslaagd, maar krijgt op de duur een overdreven effect en zorgt vooral een déjà-vugevoel. Samengevat is het al bij al een rijk gestoffeerde regie die een duidelijk onderscheid maakt tussen de aardse en de hiëratische wereld zoals Strauss die in zijn opera creëert. De personenregie is helder en tekent duidelijk de bizarre karakters, al helpt enige kennis van het stuk om helemaal door te hebben wat er gebeurt. Jammer dat er in de overgangen van de scènes soms te veel naar new age-achtige effecten wordt gegrepen, want die belasten nodeloos de sfeer.

 

Hart en ziel

 

Het Mariinskytheater werkt onder Valery Gergiev uiteraard met zijn eigen orkest alsook met eigen ensemblezangers. We weten dat daar vaak heel goede zangers tussen zitten, die ook internationaal carrière maken. De bezetting van deze opname is van hoge kwaliteit, ondanks enkele zwakheden. Olga Savova, die de Amme zingt, heeft een stevige mezzostem, maar een lelijk tremolo. Geisterbote Evgeny Ulanov, weliswaar een kleine partij, zingt zijn baritonpartij kelig en krachtpatserig. De Keizer, die ondanks zijn ietwat nar-achtig kostuum toch waardig zijn personage belichaamt, wordt mooi gezongen door August Amonov: een stem met nobelheid en zuivere hoogte. Mlada Khudoley zingt de veeleisende en lange partij van de Keizerin met vaste stem. Ze beschikt over een enorm register dat in alle regionen mooi blijft klinken. Eigenaardig genoeg is enkel haar parlando-passage op het einde van het derde bedrijf lelijk. Bovendien is haar Duitse dictie bar slecht. Edem Umerov zingt en speelt Barak met charisma en waarachtigheid. Zijn stem is warm en zalig om te horen. Zijn vrouw, Olga Sergeeva, is perfect getypecast en haar stevige dramatische sopraanstem geeft vol overgave uiting aan de wisselende gemoedsstemmingen van de vrouw.

 

Met Valery Gergiev en het Mariinsky-orkest verwachten we uiteraard Straussiaanse orkestrale weelde op zijn best en daarin worden we allerminst ontgoocheld. Met uiterste concentratie, scherpe blik en met zijn typisch kleine dirigeerstokje zet Gergiev het orkest aan tot een uiterst geciseleerde vertolking van de Strauss-partituur. Het meest karakteristieke motief van de opera is scherp gesteld van bij de tussenkomst van de Bote “Er wird zu Stein”. Telkens het thema door de Falke – of in het orkest – hernomen wordt, klinkt de fluit onweerstaanbaar zuiver. De “Verwandlungen” zijn prachtige orkestrale intermezzi. De cello bij de overgang in het derde bedrijf is warm en heerlijk van klank. Schitterende muzikanten heeft Gergiev in zijn orkest en ze spelen met hart en ziel, hoewel ze bij deze grote bezetting blijkbaar dicht opeengepakt zitten in de orkestbak van het prachtige Mariinskytheater (waar ik jammer genoeg nog nooit een voorstelling bijwoonde). Alleen al voor de orkestrale uitvoering is deze opname de moeite waard. Voeg daarbij – ondanks de genoemde reserves – de boeiende personenregie en goede zangers en deze opname is een gepaste hommage aan de jarige componist. Extra’s of bonussen zijn er niet, maar iets meer dan drie uur opera is op zich beslist de moeite om je een avondje voor schrap te zetten.