Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst. Dat gezegde brengt deBijloke dit seizoen in de praktijk met een reeks Young Masters. Voor het derde concert maakte het Duo Adelfoi er zijn opwachting: een spannend debuut in een volgelopen Kraakhuis. Samen met Schubert, Grieg en enkele composities van eigen bodem én hand ontpopte het Gentse broederpaar Bataillie zich tot een ontwapenende tandem met een stevig muzikaal uithoudingsvermogen.

Het was een teken des tijds. Uitgever Anton Diabelli die bij de postume druk van Schuberts vioolsonates (D384, 385 en 408) deze werken als sonatines bestempelde. Kleinerend, letterlijk én figuurlijk? Allicht had de man op de eerste plaats commerciële motieven: werken van lichter allooi hebben nu eenmaal een ruimer verkooppubliek. Maar laten we er ook geen partituren om winden. Het zou nog tot lang na zijn vroegtijdige dood duren vooraleer de componist Schubert naar volle waarde werd geschat. Of kon worden, aangezien er veel van zijn muziek ongehoord bleef. Ondertussen is ’s mans rehabilitatie al evenzeer een feit, óók voor deze “modest and unassuming pieces” trouwens, volgens Harry Halbreich “undoubtedly the gems of their kind […]”. En de Belgische musicoloog voegde er bewonderend aan toe: “[…] for small-scale works easy to perform seldom maintain a quality of inspiration such as to be found here!

Makkelijk uit te voeren?

Wat zou het broederpaar Florestan en Ludovic Bataillie daarvan denken … Als het Duo Adelfoi – Oudgrieks voor, jawel, broers – maakten deze Young Masters vorige zondag hun debuut in deBijloke in de gelijknamige concertreeks. Ze staken daarbij van wal met de eerste sonat(in)e in re-majeur. “Dat de betere amateur zich hieraan durft wagen – ter volledigheid: doorgaans enkel het eerste deel hieruit – wil zeggen dat het heel begrijpelijke muziek is”, zo klinkt het unisono. Maar dan toch even de puntjes op de i: “Het is lang niet zo gemakkelijk!” Paradoxaal genoeg is elke misvatting over de moeilijkheidsgraad van dit werk eigenlijk Schubert zijn schuld. Want wat charmeert deze muziek door zijn eenvoud, met zeker in de snelle(re) hoekdelen een onverholen, haast kinderlijke naïviteit. De speelvreugde bij de uitvoerders was ook navenant. Toch is niets wat het lijkt bij onze op dat moment 19-jarige componist – diens vierde symfonie, door de auteur zelf Die Tragische genoemd, werd in dezelfde periode afgerond (1816). Bovendien bestaat het fragiele hart van dit drieluik uit een wederom ongekunsteld, maar tegelijk o zo ontroerend tussenspel. Het is dit magnifieke tranen-van-geluksmoment dat aan het Andante zijn emotionele eeuwigheidswaarde verleent. En luisteren naar klassieke muziek zo intiem maakt. Op deze passage in mineur kan men eindeloos gaan variëren. Maar ze vergeten, laat staan verbeteren?

Zoals u zelf in het filmpje hieronder vanaf 1:18 kan vaststellen: ‘the proof of the music is in the listening’. Ietwat enigmatisch maakte pianist Florestan in zijn inleiding gewag van Schuberts “kosmische wandelpas”, in wiens voetsporen het heerlijk volgen is. Algauw werd het de toehoorders in het Kraakhuis duidelijk wat hij bedoelde. Met een even snelle als gedecideerde tred werd het zorgeloze Allegro molto in gang gestoken. Wat volgde was nochtans een meticuleus samenspel waarin subtiele samenzang en speelse dialogen elkaar gedurig afwisselden. Ook het Andante begon nog als een zondagswandeling. Tot wanneer de toon dus plots omslaat, en die onbeschrijflijke schoonheid je overvalt. Hoe als muzikant op zo’n moment je cool bewaren? Door jezelf weg te cijferen: dat is wat we tijdens onze opleiding ingeprent krijgen. “Op de eerste plaats moet het publiek beroerd worden”, zo verklaarde violist Ludovic na afloop van het concert. Die onbaatzuchtigheid vertaalde zich in een strijken zonder overdreven pathos, waardoor de lyriek eens zo vrijelijk vloeide. “Die Schubertsche Melodie ist ein empfindliches System, das leicht zerstört werden kann”, zo weet de ervaren Duitse tandem Avenhaus-Weithaas. Maar van enig disruptief gedrag was bij deze jongeman geen sprake. In de finale ging het enthousiasme daarentegen wél in stijgende lijn verder. Het Duo Adelfoi startte het vrolijke Allegro vivace nog categorisch en enigszins afgemeten, maar vierde naderhand ook meer de teugels om uiteindelijk al huppelend over de laatste maatstreep te komen.

“Hij werd het nooit beu”

Hij is Edvard Grieg. En wat de bekende Noorse componist en pianist volgens Florestan Bataillie nooit beu is geworden, is zijn derde vioolsonate (1887). Kwam het omdat dit werk hem aan de 19-jarige Teresina Tua deed (terug)denken, de Italiaanse angelo del violino die hem tot schrijven inspireerde? Wie weet, al zit de verklaring zéker ook in de muziek: de even krachtige als prachtige uitwerking van dit laatste hoofdstuk uit zijn beperkte kamermuziekoeuvre waar men nooit op uitgekeken én -gespeeld raakt. Zo is Griegs laatste sonate in do-mineur inmiddels niet meer weg te denken uit het grote vioolrepertoire. Het is een bijzonder veeleisende triptiek, en dat niet alleen technisch, maar zeker ook emotioneel. Door het vaak wisselende temperament wordt het uithoudingsvermogen van de musici stevig op de proef gesteld. Is het met Schubert nog aangenaam rondhossen, dan krijgen ze hier een hachelijke bergtocht voor de voeten. Maar die levert dan wel een adembenemend mooi en beklijvend (noten)landschap op. In een brief die Grieg rond de eeuwwissel aan ‘dichter des vaderlands’ Bjørnstjerne Bjørnson richtte, beschrijft zijn collega-toondichter het weidse karakter van deze derde sonate: “Mes sonates pour violon sont parmi mes meilleures oeuvres, chacune d’elles apporte une nouvelle phase dans mon développement. Ma première période est plutôt naïve et débordant d’idées, la seconde est ‘patriotique’ et la troisième ouvre des horizons et les embellit.” En dus was het spannend afwachten welke laatromantische vergezichten er met het Duo Adelfoi aan de einder zouden verschijnen.

Het werd een uitvoering die de contrasten zeker niet schuwde, en de sonate op die manier de nodige eer bewees. Van een studieronde was er in het Allegro molto ed appassionato geen sprake: lichtvoetige heroïek op de snaren werd met ferme, dramatische akkoorden onderstut. Zo exuberant en indringend deze aanhef naar een eerste dynamische climax toewerkte, zo getemperd en lieflijk klonk het zangerige vervolg. De fijnzinnige afwisseling tussen agitatie en berusting hield de aandacht van het publiek moeiteloos vast. Door gevat van het ene naar het andere uiterste te schakelen, demonstreerden beide twintigers een groot inlevingsvermogen. Dat beloofde alvast voor de trage beweging, het Allegretto espressivo alla Romanza, waarin Grieg met een verrassende vondst uitpakt. “Het tweede deel begint met een pianosolo die zo aangrijpend is, dat dit voor ons het hoogtepunt van het werk uitmaakt”, getuigt een openhartige Florestan. Ondanks een immer delicate aanslag gaf hij de introductie toch het nodige reliëf mee. “De melodie die de luisteraars meeneemt over de fjorden wordt erna door de viool overgenomen, en dit mondt dan erg abrupt uit in een volksdans middenin dit deel”, vult Ludovic aan. Ook hij slaagde erin om met een slanke toon en puike intonatie de luisteraar even helemaal te doen wegdromen, alvorens zich met volle overtuiging in een korte, spitante opleving te storten (Allegro molto). Spankracht was uiteindelijk ook troef in de finale. Niet alles in dit zinderende Allegro animato verliep altijd even vlot of vlekkeloos. Maar belangrijker dan de individuele bravoure was het gedreven samenspel. Net als in het openingsdeel persten de broers er nog een (aller)laatste versnelling uit. Het applaus was meer dan welverdiend.

Geen politiek, wel patriottische pastiche

Eén van de missies van het Duo Adelfoi bestaat erin om muziek van eigen bodem te promoten. Zo komt het dat de Romanza van Lodewijk Mortelmans tussen Schubert en Grieg opdook. Interessanter dan dit enigszins pathetische gezwelg was de door Ludovic Bataillie geschetste levensloop van de Antwerpse componist. Naast directeur van het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium was die ook een succesvol dirigent en concertorganisator, medeoprichter van de auteursvereniging NAVEA – het huidige Sabam – én één van de stichters van wat vandaag de Koningin Elisabethwedstrijd heet. Een bijzonder bezige bij dus. Maar dat is de oudste Bataillie ook, getuige de twee ludieke stukken van zijn hand waarmee dit zondagochtendconcert eindigde. “In mijn composities is de knipoog nooit ver weg.” En inderdaad: Ognatango, de swingende uitkomst van een compositiewedstrijd op school, en Belgian Blues, een recenter werk naar aanleiding van de nationale feestdag, hebben niet de minste pretentie, maar ontwapenen met enkele kwinkslagen en herkenbare (volkslied)thema’s. Het is allerminst de bedoeling om aan politiek te doen, zo werd nog eens extra onderstreept. Gelukkig was deze patriottische pastiche daar sowieso niet ernstig genoeg voor.

Er volgde nog een laatste aandenken aan dit zo al memorabele concert: een extraatje met de toepasselijke titel Souvenir. Schouder aan schouder namen Florestan en Ludovic Bataillie een staande ovatie in ontvangst. Het duo had in deze thuismatch het beste van zichzelf gegeven. Hun debuut in deBijloke scheerde daardoor meermaals hoge toppen. Iets waar achteraf zeker kon op geklonken worden. Net als op een nieuw jaar gevuld met vele van dit soort muzikale herinneringen.