In de week waarin menig koppel de Heilige Valentinus vierde, zette deSingel zijn concertreeks “Ménages à 3” lustig verder. Faut le faire! Polygame musici van dienst waren de klarinettist-componist Jörg Widmann die samen met zijn kompanen, altist Antoine Tamestist en pianist Francesco Piemontesi, een meeslepende muzikale reis maakte door meer dan twee eeuwen muziek, van Mozart tot Kurtág.

In de week waarin menig koppel de Heilige Valentinus vierde, zette deSingel zijn concertreeks “Ménages à 3” lustig verder. Faut le faire! Polygame musici van dienst waren de klarinettist-componist Jörg Widmann die samen met zijn kompanen, altist Antoine Tamestist en pianist Francesco Piemontesi, een meeslepende muzikale reis maakte door meer dan twee eeuwen muziek, van Mozart tot Kurtág.

 

Tijdens het seizoen 2012-2013 staan de schijnwerpers in Antwerpen gericht op Jörg Widmann (°1973). Als artiest in residentie kon het publiek kennis maken met het veelzijdige talent van deze componist en performer in één en dit via masterclasses, een lecture recital en – uiteraard – een reeks concerten waarin de enthousiaste Duitser zichzelf zowel als inspirerende dirigent, bevlogen solist als fijnzinnig kamermusicus profileerde. Op 22 mei plaatsen Guido De Neve en Jan Michiels het orgelpunt op diens verblijf met de uitvoering van twee van Widmanns creaties.

 

Samen met de Franse altviolist Antoine Tamestit – een leerling van Tabea Zimmermann – en de Zwitsers-Italiaanse toetsenist Francesco Piemontesi – derde op de Koningin Elisabethwedstrijd in 2007 – verkende Widmann op 16 februari het beperkte, maar o zo boeiende gemeenschappelijke repertoire voor klarinet, altviool en piano. Met dit concert sloot het trio een korte tussensprint in haar Europa tournee af: een ronde die hen reeds in Madrid, Dortmund, het Beethoven-Haus in Bonn en de Londense Wigmore Hall had gebracht. Goed op elkaar ingespeeld, maar misschien ook wel wat vermoeid, arriveerde het drietal in de Scheldestad.

 

Elektriciteit in de lucht

 

Dat we hier met drie kleppers(-in-wording) vandoen hebben, bleek uit het tweede deel van het concert. Widmann speelde met de Fünf Bruchstücke voor klarinet en piano (1997) een eigen compositie, Tamestit en Piemontesi brachten elk één of meerdere solostukken. De toehoorders werden zonder verpinken van de ene emotie in de andere verbazing meegesleurd, en dit zowel binnen als tussen de uitgevoerde werken. Elektriciteit hing meermaals in de lucht. Widmanns vijfdelige staaltje van technisch-creatief vernuft spande daarbij de kroon. Het was een voorrecht om deze fascinerende fragmenten door de componist himself voorgeschoteld te krijgen. Hij liet zijn beide klarinetten zoemen, ratelen, schetteren en briesen te midden van een koortsachtige spanning, occasionele stiltes en een doorgaans onbehaaglijke desolaatheid waaraan de piano een wezenlijke bijdrage leverde. Daarvoor moest Piemontesi nu en dan wel in de vleugelpiano kruipen of… plotsklaps met zijn vingers knippen: alsof Widmann op ludieke wijze zichzelf bij de les wilde houden.

 

Op een andere manier, maar wel met een vergelijkbare intensiteit, volgen de gemoedsstemmingen elkaar op in Mozarts onafgewerkte Fantasie in d voor piano solo (1782). Piemontesi speelde het korte stuk inclusief de eerder bruuske coda die door August Eberhard Müller (1767-1817) werd toegevoegd. Die geeft de pianist wel de gelegenheid om met het nodige aplomb te eindigen, maar het is ondenkbaar dat Wolfgang het ook op deze manier zou hebben aangepakt. Hoe dan ook wierp de benjamin van het gezelschap zich op als een geraffineerd pianist die in Mozarts even aangrijpende als onvoorspelbare discours onbevangen een aantal persoonlijke accenten durfde te leggen en knap gebruik maakte van de momenten van dramatische verstilling om zijn spel extra bezieling te geven. Het empfindsame karakter van het werk ware nog beter tot uiting gekomen indien Piemontesi de onstuimige Sturm und Drang passages wat meer stuwing had meegegeven, maar dan zijn het de zo al behoorlijk verwende oren die spreken.

 

Met het solo-optreden van Antoine Tamestit werd het publiek opnieuw naar de late 20ste eeuw gekatapulteerd. De drie stukken uit 'Signs, Games and Messages', een soort muzikaal dagboek en work in progress van de Hongaarse avant-gardecomponist György Kurtág, bleken voor Tamestit de ideale gelegenheid om zijn feilloze techniek te demonstreren en een weergaloze rijkdom aan subtiele nuances en kleuren uit zijn schitterende instrument te toveren. In het bijzonder tijdens het In nomine 'all ongarese', een bezwerende elegie die als het ware in je oor wordt gefluisterd, werd op deze manier een tijdloze sfeer geschapen die haaks stond op de snelle stemmingswisselingen uit de andere twee miniaturen: Zank Chromatisch en Perpetuum mobile. De wijze waarop Tamestit elke muzikale zin – of moeten we zeggen uitspatting – met de nodige zorg liet uitdoven, evenals zijn dynamische reikwijdte, verdienen niets dan lof.

 

Voorbeeldige ingesteldheid

 

Na al deze complimenten vraagt u zich waarschijnlijk ongeduldig af wat deze heren in petto hadden wanneer ze samen enkele lekkere brokken kamermuziek onder handen mochten nemen. Wel, wat op papier eentonig dreigt te worden, was dat allerminst in de concertzaal. Daar bevestigden Widmann, Tamestit en Piemontesi dat hun geheel meer is dan de som der delen. Dat deden ze voor de pauze met achtereenvolgens vier van Bruchs laatromantische Acht Stücke (1910), Kurtágs bevreemdende 'Hommage à Robert Schumann' en diens Märchenerzählungen (1853), met wie het werk een nauwe verwantschap vertoont. Als afsluiter mocht stamvader Mozart met zijn experimentele “Kegelstatt”-trio (1786) uiteraard niet ontbreken.

 

Het geheim achter het succes van de quasi-perfecte driehoeksverhouding was meervoudig, maar bovenal een rechtstreeks gevolg van de voorbeeldige ingesteldheid van elk van de muzikanten. Hoewel stuk voor stuk ook solistisch actief voelde geen van hen zich te beroerd om zichzelf en zijn instrument ten dienste te stellen van het totale klankbeeld, wat op de eerste plaats een voortreffelijke evenwicht tussen de verschillende stemmen en tussenstemmen opleverde. Aanstekelijk was ook de zichtbare spelvreugde, alsook de présence van zowel Widmann als Tamestit die beide met hun hele lichaam musiceerden. Of het nu de uitgesponnen weemoedige melodieën van Bruch waren of een vluchtige 'Amuse-oreille' van Kurtág, steeds slaagde Widmann erin de muzikale lijnen in al hun verscheidenheid tot volle wasdom te brengen of spitant uit de hoek te komen in de ritmisch snellere passages. In één woord: klasse. Tamestit toonde zich dan weer een waardige pendant en vitale metgezel met een prachtig legato. Dit was bij momenten niet langer strijken, maar strelen, prikkelen, zo nodig eens schuren of dit alles tegelijk zoals in Bruchs sfeervolle Rumänische Melodie.

 

Meer nog dan het trio van Mozart vormden Robert Schumanns Märchenerzählungen het absolute hoogtepunt van deze avond. Geschreven in een naar eigen zeggen opgewekte bui, door één van Widmanns grootste helden, vormen deze vier charmante sprookjesverhalen een verrukkelijk voorbeeld van het wonderbaarlijke spel van geven en nemen (en vaak ook transformeren) dat kamermuziek in wezen vaak is, een spel dat het driemanschap in al zijn facetten beheerste. Piemontesi kwam daarbij veelal spits uit de hoek, maar met die vlugge vingers ontwikkelde hij te gepasten tijde ook de nodige kracht en stuwing. Vooral in die delen waar Schumann sehr markiert voorschreef, was deze assertiviteit een zegen. Widmann en Tamestit weigerden evenwel om onder te doen met een energiek, opzwepend, ja zelfs ietwat speels resultaat tot gevolg. Met eenzelfde doortastendheid was de uitvoering van Mozarts “Kegelstatt”-trio begiftigd. Alleen het (te) snelle tempo in het finale Rondeaux (allegretto) deed even de wenkbrauwen fronsen, maar voor het overige was het één en al gratie, souplesse en hartstocht.

 

Niets is ooit helemaal af, ook en vooral niet in muziek. Maar dit concert had (bijna) alles en schiep toch, al was het maar voor heel even, de illusie dat het volmaakte toch bestaat.