Achter een doodgewone façade zoals er in Brussel zovele zijn, in een wijk van de stad waar politiek de kunst in de schaduw stelt, gaat een opmerkelijk atelier schuil waar de (klassieke) muziek alsnog hoogtij viert. Lucas Blondeel, Roeland Hendrikx en Marc Sabbah gingen er een meeslepende dialoog aan tussen piano, klarinet en altviool.

Het corps diplomatique parkeert op voorbehouden plaatsen voor de deur: een fait divers dat niettemin boekdelen spreekt. Metrohalte Kunst-Wet mag dan al op wandelafstand liggen, in de Brusselse Leopoldwijk bots je sneller op een ambtenaar of diplomaat dan op een verloren gelopen musicus. En toch weerklinkt in deze kantoorbuurt regelmatig muziek. Daar staat het Atelier Marcel Hastir nu al vele decennia garant voor. Dit ondertussen geklasseerde open huis in de Handelsstraat, waar de melomane schilder, restaurateur en tekenprofessor Marcel Hastir (1906-2011) sinds 1935 woonde, werkte en en passant ook nog eens een bolwerk van verzet tegen de Duitse bezetter inrichtte, heeft in zijn lange geschiedenis al een brede waaier aan (jonge) musici een podium geboden. Onze nieuwe hoofdredactrice had de weg naar dit intimistische kunstenatelier reeds meer dan eens gevonden, toen er plots een interessante uitnodiging in mijn mailbox belandde. Lucas Blondeel, Roeland Hendrikx en Marc Sabbah zouden binnenkort een aanlokkelijke programma brengen met werk van Mozart, Schumann en Bruch, en dat voor de uitzonderlijke bezetting van piano, klarinet en altviool. Wel heb je me daar een ‘must hear’ …

Het was vanavond de allereerste keer dat dit driemanschap tijdens een publieke concertgelegenheid zijn opwachting maakte. Maar de drie heren zijn geen onbekenden voor elkaar. Klarinettist Roeland Hendrikx en altist Marc Sabbah zijn beide solist in het Nationaal Orkest van België en daarnaast ook als kamermuzikant actief. Zo is Hendrikx de spil in een naar hem vernoemd ensemble dat in 2015 werd opgericht, terwijl collega Sabbah in onze hoofdstad geregeld privé-kamermuziekconcerten organiseert. In dat kader speelde hij in het verleden reeds samen met Blondeel. Die vormt al vele jaren een geolied pianoduo met zijn goede vriend Nicolas Callot en is naast geoefend liedbegeleider ook vaste partner van klarinettiste Annelien Van Wauwe. Toch is het altijd spannend wanneer een onuitgegeven trio zich voor een vuurdoop aan zijn (talrijk opgekomen) toehoorders presenteert. Zaten ze op eenzelfde golflengte of niet?

Twee gezichten

Met het geniale Kegelstatt-trio van Mozart (1786), en de door dit baanbrekende werk geïnspireerde Märchenerzählungen van Schumann (1853), toonden de muzikale protagonisten voor de pauze twee gezichten: verfijnd en speels in de klassieke klankkunst, bijwijlen robuust en fors in het romantische idioom. De delicate balans tussen de instrumenten zat weliswaar steeds goed, wat erop wees dat het drietal in gelijke richting dacht. Niemand nam daarbij echt het voortouw, maar daar stuurde met name Mozart ook allesbehalve op aan. Zo mag elke partij het luchtige tweede thema uit het zonnige openingsdeel (Andante) ten gehore brengen, en elkeen deed dit met een persoonlijke, stijlgevoelige toets. Wat volgde was een opvallend sensueel en verder hoogst vermakelijk Menuetto. Zowel Sabbah als Hendrikx intoneerden het trio met verve, en dat terwijl Blondeel tijdens zijn korte interventies met enkele opmerkelijke doch smaakvolle versieringen uitpakte. Speelsheid was ook in het finale rondo (Allegretto) het codewoord. Vrank en vrij werd er gemusiceerd, met als heerlijke hoogtepunt het prachtige tweede neventhema, in mineur, dat aan de altviool is voorbehouden. Blondeel gooide er tot tweemaal toe een doorvoeld nawoord tegenaan, tot Hendrikx zijn stem verhief en beide tot de orde riep. Jazeker, deze Mozart liet beslist een geacheveerde indruk na.

Ook de eerste drie miniaturen uit Schumanns Märchenerzählungen hadden veel moois voorradig. Vooral in de iets tragere melodieën werd uitgeblonken: van het voortreffelijk breedvoerige legato van Hendrikx en de fijnzinnige crescendo’s in het dromerige eerste sprookje (Lebhaft, nicht zu schnell), over de versmelting van timbres in het elegante tussenspel van het rustiekere nummer twee (Lebhaft und sehr markirt) tot de fluwelen, teergevoelige aanpak van de zoetgevooisde derde vertelling (Ruhiges Tempo, mit zartem Ausdruck). Jusqu’ici tout va bien. Waar het ensemble minder bekoorde was in de geanimeerde, volksere passages. (Ben) marcato schrijft Schumann daar voor, maar een accent kan ook té krachtig in de verf gezet worden. Het resultaat klink dan fors en streng, ja soms zelfs luid, maar dan zonder veel aan zeggingskracht te winnen. Het robuuste laatste deel – wederom Lebhaft, sehr markirt – was exemplarisch voor dit euvel. De onverwachts onbehouwen worsteling aan de toetsen, het grillige gestrijk en ietwat snerpende geblaas doet vermoeden dat dit verre van de meest comfortabele (of geslaagde) compositie van Schumann moet zijn. Helaas klonk het ook zo. Kan het anders indien deze muziek op periode-instrumenten zou gebracht worden?

Verheven unisono’s

Het accident de parcours in Schumann deed weliswaar niet minder naar het vervolg van dit concert verlangen. Toegegeven, met de Acht Stücke van Max Bruch (1910) stond nochtans een componist geprogrammeerd die vooral grote roem vergaarde met één enkel werk, zijn eerste vioolconcerto, maar wiens ster bij zijn overlijden reeds flink getaand was: een relict uit vergane tijden die het met zijn laatromantische toonspraak moest afleggen tegen de vernieuwing van Stravinsky, Schönberg et tutti quanti. In zijn korte inleiding merkte Blondeel daarom op dat Bruch met dit werk allicht hoopte om mee te surfen op het blijvende succes van Mozarts Kegelstatt-trio. Niet slecht gezien, getuige deze avond. En geheel terecht ook, want deze karakterstukken bevatten genoeg balsem om menig romantisch zieltje voor zich te winnen. Welke zalfjes er tijdens het concert dan het grootste effect sorteerden? Reeds tijdens de eerste helft van deze achtling werd het publiek door een bijzonder fraai klankbeeld meegevoerd. Subtiel was daarbij ook het verschil in kleur die de switch tussen A- en Besklarinet met zich meebracht. De kundig uitgebalanceerde en wervelende pianopartij in het zwoele Allegro con moto, de innig uitgesponnen klarinetsolo’s in het hartstochtelijke Andante con moto, of nog de zeer gevatte attacca’s in het kwieke Allegro agitato: het applaus werd terecht niet voor op het einde gespaard. En dan moesten de echte hoogtepunten met de Rumänische Melodie (Andante) en het Nachtgesang (Andante con moto) nog komen. Gemoedsvol waren de fraseringen, té kortstondig de verheven momenten waarop introspectieve unisono’s werden aangedragen. Het eerder bedachtzame Moderato ten slotte bezat naast een hechte sound ook de nodige spankracht. Of hoe dit even schone als anachronistische pleidooi van begin tot einde boeide en overtuigde.

Na een herneming van Schumanns eerste sprookjesvertelling was het verdict snel gemaakt: dit was Hausmusik van een hoog niveau, door drie integere muzikanten, en in een daartoe aangepast kader. Een mens zou voor minder de woorden van Marcel Hastir echoën: “Vive la musique, Vive l’Amour, Vive la Vie!


  • WAT: Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791) – Pianotrio in Es ‘Kegelstatt’ (KV 498) | Robert Schumann (1810-1856) – Märchenerzählungen (opus 132) | Max Bruch (1838-1920) – Acht Stücke für Klarinette, Viola und Klavier (opus 83)
  • WIE: Lucas Blondeel (piano), Roeland Hendrikx (klarinet), Marc Sabbah (altviool)
  • WAAR: Atelier Marcel Hastir, Brussel
  • WANNEER: vrijdag 24 maart 2017
  • CREDIT FOTO: Klassiek Centraal | KIK-IRPA