Er hing letterlijk en figuurlijk elektriciteit in de lucht. In een goedgevuld auditorium op de Leuvense campus Gasthuisberg bracht het quartet-lab een weldoordachte mix van muziek die het Festival van Vlaanderen Vlaams-Brabant de voorbije twintig jaar groot heeft gemaakt. Van Beethoven tot Crumb, met halten bij Martinů en Ravel: dit was tegelijk een leerrijke en ongewone avond.

Er hing letterlijk en figuurlijk elektriciteit in de lucht. In een goedgevuld auditorium op de Leuvense campus Gasthuisberg bracht het quartet-lab een weldoordachte mix van muziek die het Festival van Vlaanderen Vlaams-Brabant de voorbije twintig jaar groot heeft gemaakt. Van Beethoven tot Crumb, met halten bij Martinů en Ravel: dit was tegelijk een leerrijke en ongewone avond.

Voor een combinatie van grote namen en een gemengd programma zou ik het concert met het quartet-lab kunnen aanraden.” Een insider tip van Mark Delaere, artistiek directeur van het jarige Festival van Vlaanderen Vlaams-Brabant, die bij Klassiek Centraal allerminst in dovenmansoren is gevallen. Grote namen, daarmee doelde Delaere uiteraard in eerste instantie op één van de habitués van het festival, cellist Pieter Wispelwey. Onze noorderbuur is de nestor van dit jonge strijkkwartet, dat in september 2012 in het Konzerthaus van Dortmund debuteerde. Maar de Moldavische violiste Patricia Kopatchinskaja behoeft evenmin veel introductie. Ook zij trad in het verleden al meermaals als soliste en chambriste in Leuven aan. Misschien minder bekend, maar met een evenzo moeilijk uitspreekbare naam, zijn de twee Finse leden die het ensemble vervolledigen: violist Pekka Kuusisto en altiste Lilli Maijala. Toch kunnen ook zij al mooie adelbrieven voorleggen. Hij was de eerste om in eigen land de internationale Jean Sibelius vioolwedstrijd te winnen, zij viel onder meer in München en Tokio in de prijzen. Vier zonder twijfel uitstekende solisten, maar hoever stonden ze als groep?

Verleidelijk snoepje

Een tipje van de sluier lichtte het quartet-lab reeds een jaar geleden op. Tijdens het Klarafestival sprong het viertal met zijn eclectische repertoirekeuze uit de band, en deze avond stond er zowaar een nóg bontere mix op stapel. Daarbij was Beethoven – en met name diens vierde strijkkwartet uit zijn zeskoppige debuut in het genre (ca. 1799) – voor overwegend conservatieve luisteraars als mezelf maar een inleidend, maar o zo verleidelijk snoepje om ook minder bekend werk te presenteren. Zodoende wisten de muzikanten van vanavond perfect de geest van het Vlaams-Brabantse festival, waarin de klemtoon sinds de beginjaren op Renaissance-polyfonie en 20ste-eeuwse muziek ligt, te vatten. Een werk dat deze festivalfilosofie perfect weerspiegelde, en daarom als tweede stuk zou worden gebracht, waren de Three Madrigals van Bohuslav Martinů: een 20ste-eeuwse interpretatie voor viool en alt van de in de Renaissance en vroegbarok populaire meerstemmige liedkunst waarin componisten als Orlandus Lassus (1532-1594), Carlo Gesualdo (1560-1613) en natuurlijk ene Claudio Monteverdi (1567-1643) uitblonken. Derde in het rijtje was de weinig gespeelde sonate voor viool  en cello (1920-1922) van Maurice – Bolero – Ravel. Een ambigue kwartet zonder vulstemmen dat, hoewel na de creatie afgekraakt, tot op vandaag blijft fascineren. En dat doet ten slotte ook het ‘elektrisch strijkkwartet’ Black Angels (1970). Dit ongewone klankenlandschap van de Amerikaans componist George Crumb is zowat het lijfstuk van het quartet-lab geworden: een experimenteel werk waarmee ze hun naam ook tijdens dit concert alle eer konden aandoen.

Maar eerst terug naar een dertigjarige toondichter in Wenen die net als vele van zijn concullega’s de sprong waagt. Want, zo merkte musicoloog en docent Yves Knockaert in zowel programmaboekje als inleiding op, het schrijven van strijkkwartetten was in het laatste kwart van de 18de eeuw een regelrechte hype én toetssteen voor elk ambitieus componist: liefst achttien onder hen publiceerden in deze periode een bundel van zes strijkkwartetten als ‘opus 1’. Maar ook in dat geval was Beethoven met zijn bijdrage, en het werk van deze avond in het bijzonder, uiteraard een buitenbeentje. Zo staat dit stuk niet alleen in de mineurtoonaard, nota bene het enige uit de reeks, maar omvat het zowel een scherzo als een menuet en bijgevolg dus geen langzame beweging. Het zeer levendige, ietwat humeurige openingsdeel (Allegro ma non tanto) werd door het quartet-lab doortastend aangepakt, met stevige en vooral schichtige accenten. In de zinderende doorwerking was hun overgave totaal, maar waar nodig ook geïnjecteerd met een gesmaakte dosis fijnzinnigheid. En uit de beide hoekdelen bleek ook wat een opzienbarend dynamisch bereik dit viertal heeft. Gewoonweg heerlijk dus, ware het niet dat van bij aanvang en doorheen de hele Beethoven de primaria met intonatieproblemen kampte. Hier ontbrak bij momenten de chirurgische precisie die men in Gasthuisberg steevast aan de dag legt. Gelukkig waren de middendelen een staaltje van de vele andere kwaliteiten van dit kwartet: durf, speelsheid én zin voor timing in de rallentando’s bijvoorbeeld, ja zelfs tijdens contrapuntische passages in het geleerde scherzo (Andante quasi Allegretto), alsook gedegen samenspel, fraaie kleuren en dito fraseringen in het gesyncopeerde menuet (Allegretto). Met duivelse bezetenheid werd achter dit alles prestissimo een punt gezet, alsof Crumbs zwarte engelen het auditorium reeds waren binnengevlogen.

Zinnenprikkelende openbaring

Tot zover weliswaar de platgetreden paden. Wat daarna volgde, was een aanzienlijk pak minder vanzelfsprekend. Aan Bohuslav Martinů zelf zal het alleszins niet gelegen hebben. De Bohemer was een verwoed schrijver van kamermuziek en liet uiteindelijk ongeveer een tachtigtal werken na. Maar kende diens populariteit in 2009, vijftig jaar na diens dood, een korte opstoot, dan brandt vandaag de aandacht voor zijn werk opnieuw op een laag pitje. Volkomen onterecht, zo mocht ik dankzij een Fins duo met heel veel genoegen ontdekken! Tijdens de voorbereiding op dit concert maakten de Three Madrigals nog een behoorlijk bevreemdende indruk op mij, maar dankzij Kuusisto en Maijala ging er een zinnenprikkelende nieuwe wereld open. Zoiets kan alleen maar als de muzikanten zelf over het volle begrip van een stuk beschikken. Het driedelige werk, dat in 1947 het licht zag tijdens Martinůs verblijf als ‘entartete Musiker’ in de VS, gaf plots zijn diepste geheimen prijs. En daaruit kwam een schitterende, allesbehalve klinische compositie tevoorschijn. In de dansante hoekdelen dartelde het tweetal als een koppel jonge veulens dat elkaar perfect aanvulde, aanporde of in de rede viel. Hun intonatie was grandioos, de timing gewoonweg subliem. Het Poco andante – een vrije, virtuoze fantasie – groeide uit tot een prachtig wedstrijdje kleuren opdiepen. Duizelingwekkend hoeveel dat er in een kleine zes minuten waren. Evenzeer bedwelmend was de synchroniciteit waarmee de strijkstokken bijwijlen op en neer gingen. Zulke beheersing verdient alleen maar de grootste appreciatie. Overtuigend was het in ieder geval.  

In tegenstelling tot Martinů was Maurice Ravel geen veelschrijver. Een tiental kamermuziekwerken van zijn hand hebben musici anno 2014 ter beschikking en dus kent de Fransman, de geliefde piano- en orkestwerken daargelaten, eveneens grote moeite om de hedendaagse concertpodia te halen. Kopatchinskaja en Wispelwey gunden hem de eer hoe dan ook wel, en dat met een allesbehalve hapklare brok muziek. De sonate voor viool en cello laat zich niet makkelijk vatten en dat was – in tegenstelling tot bij het vorige werk – ook na deze uitvoering nog altijd goeddeels het geval. Ravel bestempelde diens duo-sonate zelf als een machine, en eerlijk gezegd loop ik er ook na dit concert nog steeds niet echt warm voor. Maar mag ik dat de muzikanten aanwrijven? Hun integriteit staat sowieso buiten kijf. Dat bleek vooral uit de serene en tevens diepgaande versmelting van timbres in de trage beweging. Op de verstilde momenten kon je in de aula een speld horen vallen. Het contrast met het opvallend groteske scherzo (Très vif) en zijn vele krasse pizzicati dat eraan voorafging, werd er mooi door in de verf gezet. De hoekdelen konden daarentegen veel minder beklijven, ondanks het onbetwiste inlevingsvermogen van beide spelers: gemijmer, doodlopende frasen en veel ritmiek, maar charmeren of ontroeren kon het nooit.

Desolaat

Het pièce de résistance van deze avond deed de gedachten echter al heel snel naar elders afdwalen. Want de gevallen engelen van George Crumb blijven menig toehoorder verrassen. Maar heeft u al ooit een compositie van deze Amerikaan live gehoord? Ik alvast niet. Nochtans is Crumb opgenomen in het naslagwerk XYZ van de klassieke muziek, alwaar hij wordt bewierookt omwille van zijn gevoel voor klankkleur, vaak gerealiseerd met behulp van elektronica. Zo ook Black Angels: 13 Images from the Dark Land, dat niet zonder een uitstekende klanktechnicus uitgevoerd kan worden. Deze thriller in drie akten (Departure, Absence, Return) is geen muziek voor gevoelige zielen, maar een uitermate sfeervol werkstuk waarin de leden van het quartet-lab zich tot geëngageerde multi-instrumentalisten ontpopten, alsook op een zeer overtuigende wijze verschillende speeltechnieken én hun dreigende stem hanteerden. Net als de muzikale referenties is het aantal adjectieven waarmee dit strijkkwartet kan worden getypeerd legio: ongewoon, overweldigend, intrigerend, verhalend, maar bovenal zeer meeslepend – je bent steevast benieuwd naar wat er nog zal komen wanneer die opmerkelijk grootbladige partituur wordt omgeslagen. En of dit dan een anti-(Vietnam-)oorlogsstuk is of niet, feit is dat het bewerken van de snaren met vingerhoedjes, het col legno-spel, enzovoort allen in dienst staan van een beklemmende expressie gestoeld op ondefinieerbare emoties. En zo eindigde dit leerrijke concert op een oneindig desolate, maar verduiveld memorabele manier.