Wordt Mozart nu best uitgevoerd op een pianoforte of een moderne vleugel? Het hangt er blijkbaar maar van af of je wil spreken of zingen in de muziek, zo vertelde de Belg Lucas Blondeel op woensdag 3 oktober, voor hij aan een pianoforte naar Anton Walter plaats nam.

Wordt Mozart nu best uitgevoerd op een pianoforte of een moderne vleugel? Het hangt er blijkbaar maar van af of je wil spreken of zingen in de muziek, zo vertelde de Belg Lucas Blondeel op woensdag 3 oktober, voor hij aan een pianoforte naar Anton Walter plaats nam.

 

500 jaar. Daarop wordt de Cellebroederskapel in Maastricht gedateerd. Genoeg reden dus om er in de Belgisch-Nederlandse Maasregio een muzikaal jubileum van te maken. De laatgotische kapel aan de Cellebroedersgang werd recent gerenoveerd, en vormde met zijn sfeervolle verlichting het intieme decor voor een uitvoering van drie “Weense klaviersonates” van Mozart. De muziek werd tot leven gewekt op een replica van een Walter pianoforte: een type-instrument dat Wolfgang sinds 1782 zelf bezat, en nu werd beroerd door de muzikale duizendpoot Lucas Blondeel.

 

Het drieluik (KV 330-332) werd in het najaar van 1783 gefinaliseerd. Het is als het ware een triptiek bestaande uit twee conventionelere sonates en een zowel vormelijk als inhoudelijk gewaagdere sonate in A-groot. Zo behoort het curieuze Rondo alla turca uit deze laatste sonate (KV 331) drie eeuwen later tot een evergreen van de klassieke muziek. Nota bene met dank aan Osmaanse janitsaren die al eens te dicht bij de poorten van Wenen durfden te musiceren.

 

Daarmee is het codewoord van het concert er meteen uit: durf. Lucas Blondeel is een lefgozer, zoveel is zeker. De Belgische pianist maakte van zijn concertdebuut op een periode-instrument een boeiende reis die ietwat aarzelend begon, maar geleidelijk aan meer stuwing en een eigen karakter kreeg. Was hij in het allegretto van de sonate in C-groot (KV 330) even de figuurlijke kniepedalen van zijn instrument kwijt, dan herpakte de jonge Brusselaar zich zoals we hem kennen: sprankelend en met veel panache. Tussendoor maakte Blondeel er overigens een totaaltheater in muziek van. Beknopt leidde hij de verschillende stukken in met enkele sprekende, muzikale anekdotes.

 

Hoogtepunt van de avond werd het andante grazioso met zes variaties uit de sonate in A-groot. Variatiereeksen nodigen als het ware van nature uit tot meedenken met de componist, en Blondeel deinsde er niet voor terug om eigen accenten te leggen. Dat uitte zich in subtiele rusten, sprekende tempowisselingen en sporadisch een humoristische kwinkslag. Ook werden de verschillende delen van de sonate uitzonderlijk aan één stuk door gebracht. De persoonlijke sfeer die daarmee werd gecreëerd, bracht een solist voor het voetlicht die zich tegenover zijn publiek kwetsbaar durft op te stellen. Achter de fortepiano kan men zich immers niet wegsteken, en dat mag gerust ook letterlijk genomen worden.

 

Met gerechte rug vatte Blondeel de derde en laatste sonate aan (KV 332). Transparant, en veelal declamerend, werd vooral het bijwijlen dramatische karakter van de muziek geëvoceerd. Maar opnieuw was humor nooit ver weg, niet in het minst in de wervelende toccata. Mozart spelen, zo was ook duidelijk hoorbaar in het cantabile van het adagio, is als gevoelig balanceren tussen uitersten. Dat bleek tot slot ook in de toegift: de fantasie in d-klein (KV397) van Mozart.

 

Het was daar in de grensstreek een in velerlei opzichten spannende en genereuze avond. Eentje die ook het Nederlandse publiek goed kon smaken, getuige de staande ovatie en vele blijken van sympathie die de Belgische gast achteraf te beurt vielen.

 

De kamermuziekreeks “500 jaar Cellebroederskapel” i.s.m. het Theater aan het Vrijthof loopt nog de hele maand oktober 2012. In het bijzonder 'oude' instrumenten krijgen daarmee een podium. En 'jonge' mensen de kans om deze te bespelen. Dit recital maakte alvast duidelijk dat zo'n combinatie tussen authenticiteit en branie gensters kan opleveren.