Wie durft nà hem nog muziek te schrijven? Liedermeister Schubert vroeg het zich af. In muziek gaf hij het antwoord. Want met zijn pianotrio's stak hij in zijn laatste levensjaar de immer imponerende Beethoven alsnog de loef af. En samen legden ze een anderssoortige basis voor het vele moois dat de 19de-eeuw in dit genre nog in petto zou hebben.

Wie durft nà hem nog muziek te schrijven? Liedermeister Schubert vroeg het zich af. In muziek gaf hij het antwoord. Want met zijn pianotrio's stak hij in zijn laatste levensjaar de immer imponerende Beethoven alsnog de loef af. En samen legden ze een anderssoortige basis voor het vele moois dat de 19de-eeuw in dit genre nog in petto zou hebben.

 

Maar ten koste van wat? De vraag laat zich als vanzelf stellen tijdens een openbare repetitie in deSingel. Componeerde Schubert zichzelf in het graf… De Britse pianiste Imogen Cooper laat het weliswaar in het midden. Maar dat het niet de syfilis was die hem eronder kreeg, zoveel is duidelijk. “Uitgeput door hemelse lengte” is waarschijnlijk een betere doodsoorzaak voor deze brugfiguur. Want Schubert gaf het begrip “doorwerking” inderdaad een iets andere invulling. En vergat op zo'n momenten al eens zijn uitgevers te bedienen. Die hadden het namelijk blijvend op zijn liedproductie begrepen. Maar vergist u zich niet: bij de kamermuzikale Schubert is er zelfs voor professionele musici anno 2013 van het goede teveel, vertrouwde musicoloog Pieter Bergé de toehoorders toe tijdens een zeer onderhoudende inleiding in het Brugse Concertgebouw. Gelukkig bedient het Vienna Piano Trio u op cd met plezier van de uitzonderlijk “originele” versie van Schuberts Es-trio.

 

Losvast

 

Wanneer zowel deSingel als het Concertgebouw deze pianotrio's in de herfst van hun concertseizoen programmeren, dan is het uiteindelijk de liefhebber van pakkende melodieën, suspense en drama die finaal als gelukkige derde uit de bus komt. Beide huizen hadden daartoe bijzonder geëngageerde musici uit alle windstreken van Europa aangezocht om in een losvast partnerschap samen met Schubert op verkenning te gaan. En of deze dame en heren – collega-toetsenist Andreas Staier (DE), cellisten Adrian Brendel (EN, met Boheemse roots) en “onze” Roel Dieltiens (ook docerend in Zürich), en last but not least de waaghals-violisten Henning Kraggerud (NO, leider van Oslo Camerata) en Daniel Sepec (DE, Arcantist en alternerend concertmeester van de Kammerphilharmonie Bremen) – nu moderne of periode-instrumenten bespelen, doet daar uiteindelijk weinig aan af.

 

Kraggerud, frivool als ware het de Benjamin van het A'werpse ensemble, flirt naar eigen zeggen al eens graag met de muziek. Dat kan. Dat moet zelfs, leerde het lecture recital wanneer het gesprek verschoof naar het belang van accenten. Want die geven immers de nodige schwung en dynamiek aan bijvoorbeeld het ronduit sublieme andante van het Bes-trio. Al kan een overdreven gebruik van vibrato opmerkelijk genoeg ook ietwat verstikkend uitpakken. Maar was die eersteling volgens de criticus Robert Schumann niet de meest vrouwelijke van de twee? En lyrisch! En passief!? Niets van dat laatste alvast in de indrukwekkende vertolking – bijwijlen zelfs een versmelting – door Kraggerud, Brendel en Cooper, die met panache uit de startblokken schoten en elkaar onderweg meer dan één blik van verstandhouding gunden. Beide strijkers werden daarbij met finesse gedragen door een interprete die goed wist dat haar grootste uitdaging na de pauze kwam. Het ostentatieve rallentando van deze Schubert-fashionista in de aanhef van het scherzo deed daarbij denken aan Novastar: The best is yet to come… Al kwam dat gewoonweg meteen. Want deze geromantiseerde, speelse aanpak bleef meer dan veertig minuten lang boeien. Het was, kortom, zeer goed hoorbaar dat Kraggerud en Brendel dit prachtige programma voor de eerste keer in zijn weidsheid konden doorklieven.

 

Reminiscenties

 

Wie schrijft, die blijft. Maar wie vergelijkt, begeeft zich op bijzonder glad ijs. Zo duurde het in Brugge naar mijn smaak net iets langer alvorens het ijs werd doorbroken. Of had ene Schumann dan toch (weer) een punt wanneer hij het monumentale tweede trio bestempelde als meer “mannelijk”. De muziek, hoe mooi de soms verrassend lang uitgesponnen klanken ook waren, stierf helaas wat weg in het ijle van de concertzaal. Al hadden ook Staier, Sepec en Dieltiens bijzondere momenten van gratie in Bes. Het scherzo sprong eruit: scherp, spits, soms slepend, en dat alles ingeleid mét enkele coole demarrages in de aanhef. En het fragiele andante: dat bleef ook in deze zetting gewoonweg adembenemend. De tijd even doen stilstaan: het is meer dan ooit een kwaliteit… Spaarzame versieringen maken op unbearably inward moments als deze eens zoveel impact.

 

Net op dat punt maakt het “meer handelende” trio in Es zo'n verpletterende indruk. Met sprekend gemak en evenveel speelvreugde werd daarin door Staier en vrienden naar een climax toegewerkt. Het resultaat? Een in vele opzichten diepgaande lezing. Want in het allegro (moderato) breekt Schubert pas volledig uit het eigen keurslijf door tot tweemaal toe uit het (opnieuw) meesterlijke andante con moto te citeren. Deze zacht bijgespijkerde reminiscenties maken van deze man een ware ster aan het firmament van de mensheid. Met een Zweedse – welja, liedachtige – tune die hij ergens in Wenen oppikte, verlegde hij de grenzen op Beethoveniaanse wijze. En schonk hij de cello een geluid om van te snoepen: gevoelvol, genuanceerd, zelfs een tikkeltje dreigend. Men zou er het aanstekelijke scherzando als het ware bij vergeten: een canon in drievoud, mét humor en beheerste speelsheid gebracht.

 

Wie op deze avonden een encore verwacht – de alternatieve Notturno-beweging (D897) is up for the taking – miskent eens temeer de hemelse lengte die Schubert zich quasi-onbewust creëerde. En zich uiteindelijk ook in verloor. Enkel handgeklap en gestrekte benen zijn na deze prachtige trio-driedaagse op zijn plaats. Werken die Schubert niet durfde opdragen aan Beethoven, en dan maar schonk aan al diegenen die deze intens ontroerende en diepzinnige muziek dierbaar is. En dat zijn er onvermoed veel. Vraag dat maar aan Barry, Stanley Kubrick en konsoorten.