Dit recital was een schitterende manier van de Munt om zijn nieuwe muziekdirecteur aan het publiek voor te stellen: als pianist in duo met zijn vrouw in een programma dat de Franse mélodie in zuiverste vorm met frivool cabaret verenigt.

Dit recital was een schitterende manier van de Munt om zijn nieuwe muziekdirecteur aan het publiek voor te stellen: als pianist in duo met zijn vrouw in een programma dat de Franse mélodie in zuiverste vorm met frivool cabaret verenigt.

De Munt koos het Théâtre Royal in de Hubertusgalerij – achter de hoek van de Munt – voor het liedrecital met mezzo-sopraan Nora Gubisch en pianist Alain Altinoglu. In het “Extra Muros”-seizoen een gepast programma, ideaal geschikt voor dit intieme bonbonnière-theatertje. De akoestiek klinkt een ietsje te droog voor een weelderige zangstem als die van Nora Gubisch, maar het programma dat ze brachten en vooral de flair waarmee ze dit deden, lieten gewoon alle bezwaren in het pluche verzinken.

Nora Gubisch en Alain Altinoglu slaagden erin zowel de subtiliteiten van het Franse lied als het frivole van de cabaretsong tot hun recht te laten komen. Ze verstaan de kunst het dromerige en mysterieuze uit te drukken, bijvoorbeeld in de liederen van Debussy, Fauré of Koechlin. Maar evengoed kunnen ze vertellen en de luisteraar in een verhaal meeslepen, zoals in de Histoires naturelles van Maurice Ravel – de korte cyclus die ook de titel aan hun recital gaf.

Ruim en flexibel

Nora Gubisch gaf blijk van een spontaan verhalend talent, waarmee ze elk van de dieren op nooit overdreven maar leuke manier hun eigen karakter gaf. Maar ook voor intimiteit heeft het duo Gubisch-Altinoglu de juiste toon, bijvoorbeeld in het mooie Soupir van Henri Duparc, waarin de slotzin van elke strofe – “Toujours l’aimer” – telkens sterker beklemtoond werd, de blik daarbij op elkaar gewend. Aandoenlijk. Met veel flair brengt de flamboyante zangeres ook Satie en dat ze theater kan spelen is duidelijk in de cabaretsongs van Kurt Weill en John Kander, waarin ze ritmisch met de ironie speelt.

Gubisch’ mezzo-stem is ruim en flexibel, klinkt nu eens bezwerend en dan weer sensueel. In de hoogste noten wordt ze wat dun, maar dit is detailkritiek. Alain Altinoglu zit zodanig op gelijke golflengte met de zangeres dat ze werkelijk in eenheid musiceren. Altinoglu vertolkte solo twee stukken uit Debussy’s Children’s Corner waarin de op het eerste gezicht wat stijve muzikant zich van zijn levendige en pittige kant liet horen.

Dit was een recital dat je met een gelukkig gevoel achterliet, en muzikale beloftes inhoudt voor het Symfonieorkest van de Munt – waar ik informeel trouwens al lovende reacties over opving. Voor wie graag nog eens naar Nora Gubisch en Alain Altinoglu luistert in liederen van Ravel kan ik zeker de cd Mélodies aanbevelen: (Naïve V 5304).