Heeft u hem ook horen rondwaren, de creatieve geest van Robert Schumann? Hij was deze week prominent aanwezig in BOZAR met een driedelige sinfonietta en evenveel soloconcerti. Dat hij in de Henry Le Boeufzaal een barokorkest, zowaar geleid door een dirigent, en drie volbloed chambristen aantrof, hoeft alleen op papier te verbazen.

Heeft u hem ook horen rondwaren, de creatieve geest van Robert Schumann? Hij was deze week prominent aanwezig in BOZAR met een driedelige sinfonietta en evenveel soloconcerti. Dat hij in de Henry Le Boeufzaal een barokorkest, zowaar geleid door een dirigent, en drie volbloed chambristen aantrof, hoeft alleen op papier te verbazen.

 

Het behoort ongetwijfeld tot de meest opmerkelijke muzikale projecten van dit seizoen: het Freiburger Barockorchester met aan het hoofd dirigent Pablo Heras-Casado dat samen met violiste Isabelle Faust, cellist Jean-Guihen Queyras en pianist Alexander Melnikov een meer dan stevige duik neemt in Schumanns orkestrale universum. U fronst de wenkbrauwen? Een periodeorkest dat doorgaans enkel door een van haar beide, ervaren concertmeesters wordt aangevoerd, laat zich maar wat graag leiden door een jonge, Spaanse buitenstaander en stort zich samen met enkele van de voornaamste chambristen van het moment zonder verpinken op het grote romantische repertoire. En toch, spitst u vooral de oren, want deze "Schumann pur" is eens te meer een bewijs dat de historische hokjesmentaliteit voorgoed achter ons ligt.

 

Maar u merkte het allicht zelf al. Vele barok- en historisch geïnformeerde ensembles hebben hun werkterrein de voorbije jaren langzaam maar zeker verlegd. Ons eigenste Anima Eterna, recent nog op tournee met Carl Orffs Carmina Burana, is er een goed voorbeeld van. En het Freiburger Barockorchester (FBO) vormt zeker geen uitzondering op deze trend, integendeel. Creatieve nieuwsgierigheid is hun credo, hetgeen behalve openheid ook een flinke dosis moed vereist om naast 17de- en vroeg-18de-eeuws repertorium ook minder voor de hand liggende stijlperiodes aan te pakken. Het legde "die Freiburger" alvast geen windeieren. 25 jaar na haar geboorte als gedurfd studenteninitiatief is het FBO tot een heus keurmerk uitgegroeid, met als voorlopige hoogtepunten onder meer de titels Ensemble des Jahres (ECHO Klassik, 2012) en Orchester des Jahres (Opernwelt, 2007): een niet te onderschatten prestatie in een land met een zeer rijke orkesttraditie. En de loftrompet bleef zeker niet beperkt tot de eigen heimat, maar werd ook in Nederland (Edisonprijs), Frankrijk (Diapason d'Or) en over het Kanaal (Gramophone Award) al meermaals bovengehaald.

 

Select clubje

 

Zoals het in vroeger tijden de gewoonte was, laat het FBO zich normaliter op sleeptouw nemen door haar concertmeester. Het kan zich dus probleemloos zonder dirigent beredderen, maar voor een romantisch programma met uitgebreider orkest wordt wel op externe leiding beroep gedaan. Een standvastige hand is in dat geval geen overbodige luxe. Maar dan nog is het niet aan iedereen gegeven om voor dit geolied ensemble post te vatten. Een eminente uitzondering is René Jacobs, met wie het FBO al vele gelauwerde cd-opnames verzorgde. Mag zich sinds 2012 ook tot dit selecte clubje rekenen:  Pablo Heras-Casado . De Spanjaard (Granada, °1977) debuteerde reeds op 18-jarige leeftijd aan het hoofd van zijn eigen vocaal-instrumentaal oude muziekgezelschap en verruimde sindsdien geleidelijk zijn muzikale en geografische horizon. Vandaag is hij chef-dirigent van een New Yorks kamerorkest, het Orchestra of St. Luke's, en ook actief in hedendaagse muziek en opera. Indrukwekkend met welke toporkesten deze jongeman de voorbije jaren mocht debuteren, en daar kwamen dit seizoen onder andere het Philharmonia Orchestra en de New York Philharmonic bij. Een gedreven baasje die alvast de befaamde criticus Anthony Tommasini wist te charmeren: "A luminous and urgent performance, deftly balancing the shifts from moody ruminations to bouts of exuberance", klonk het vorig jaar in  The New York Times  over Schumanns Vierde.

 

De solisten van vanavond – in order of appearance: Alexander Melnikov, Isabelle Faust en Jean-Guihen Queyras – hoef ik u, melomaan pur sang en trouwe lezer van Klassiek Centraal, alvast niet meer voor te stellen. "Trois grands chambristes" voor Franssprekende bezoekers van de BOZAR-website, "drie stersolisten" volgens de Nederlands- en Engelstalige versie. Het is allerminst een contradictie, want net als het FBO laten ook deze muzikanten zich niet in een hokje stoppen. Begin vorige maand stond deze tridente nog samen op het podium in de Handelsbeurs, en hoe! Nu mocht het drietal zijn individuele kwaliteiten in dialoog met een symfonisch orkest in de verf zetten. Brussel was na enkele concerten in Duitsland hun eerste buitenlandse stop alvorens door te reizen naar Wenen en Barcelona.

 

Puur en (on)versneden

 

Tot op vandaag heeft de orkestrator Robert Schumann geen al te beste naam. “Une réputation largement eronnée et injustifiée”, betoogde inleider Benoît Jacquemin. De componist bleef allesbehalve doof voor de kleurenpracht van een orkest, maar zijn merkwaardig compacte schriftuur – “une pâte sonore épaisse” – was wel onconventioneel en leunde nauw aan bij de doorvoede klank van diens piano-oeuvre. Door het toepassen van de cyclische vorm is deze hechtheid overigens ook een structurerend kenmerk van Schumanns muziek. De Ouverture, Scherzo en Finale (1841), een weinig gespeelde sinfonietta zonder trage beweging, was in beide opzichten meteen exemplarisch. Van het dromerige voorspel (Andante con moto) tot en met het pittig-briljante slot (Allegro molto vivace) werd de driedelige suite op een verleidelijk lichtvoetige, dynamische en in de fugatische finale zeer transparante manier tot leven gewekt. In de ouverture vloeiden de noten overheerlijk van de ene naar de andere instrumentengroep. Subtiele temponuances zorgden voor een uitermate vief middendeel. En de finale maakte één ding heel duidelijk: voor holle bombarie ben je bij het FBO duidelijk aan het verkeerde adres, voor liefhebbers van een uitgepuurde, verfijnde orkestklank is het een waar toevluchtsoord. En dáár hoefden weinig aantekeningen bij. Geboeid luisteren en genieten was de boodschap.

 

Pablo Heras-Casado liet zich van bij aanvang opmerken met een onbevangen, doch accurate gestiek. Orkest en dirigent spraken dezelfde taal, en die zou ook in alle drie de soloconcerti ondubbelzinnig gearticuleerd worden. Had het eerste werk van deze avond nog te lijden onder een betreurenswaardig gebrek aan aandacht, dan was Schumanns pianoconcerto van bij zijn creatie op 1 januari 1846 een van diens grootste triomfen: een onmiskenbaar repertoirestuk, op aandringen van vrouwlief Clara gegroeid uit een eendelig Fantasie, dat het midden houdt tussen een symfonie, concerto en grote sonate en door elke pianist aan het hart wordt gedrukt. Zo ook door Melnikov, die voor deze gelegenheid aan een Erard, bouwjaar 1837, plaatsnam – een vleugel die, zo bleek voornamelijk in de finale, in de hoogte uitzonderlijk gaaf klonk. Het genereus lyrische, bijwijlen engelachtige Allegro affetuoso liet een goede balans tussen orkest en solist horen. Hun innig discours was eens krachtig, dan teder en broos. Het hout fraseerde rechttoe rechtaan, zonder veel franje, terwijl het energieke optreden van concertmeester Anne Katharina Schreiber op de hele strijkersgroep afstraalde. In het Intermezzo verspreidde zich – alle vooroordelen tegenover Schumann ten spijt – een uniek kleurenpalet over het hele orkest. Hoe jammer dat dit schitterende interludium niet langer duurde, ook al omdat de wervelende finale door Melnikov hoekig en weinig smaakvol werd ingezet. “Van de solist wordt in de eerste plaats muzikaliteit vereist en het vermogen om mét het orkest de lyrische adem gaande te houden”, lezen we in het programmaboekje, maar deze versneden aanpak was daar helaas ver van verwijderd. Gelukkig werd de toon een stuk coulanter naarmate het slotdeel vorderde.

 

Valse trage

 

Met Melnikov als opgemerkte toehoorder waren na de pauze het viool- en celloconcerto aan de beurt. Een interessante, zij het na een goedgevuld eerste deel ook veeleisende paring. Is het als onspeelbaar bestempelde vioolconcerto robuust, heldhaftig en complex (1853), dan is haar broertje voor de cello buitengewoon poëtisch (1850). Is eerstgenoemde aanvankelijk zonder pardon tussen de plooien van de muziekgeschiedenis gevallen – de eerste uitvoeringen  vonden  pas in het interbellum plaats – dan is laatstgenoemde uitgegroeid tot één van Schumanns meest geliefde werken. Heras-Casado haalde hoe dan ook in beide gevallen het beste uit "die Freiburger" naar boven. In de geanimeerde hoekdelen van het vioolconcerto hield de maestro het publiek continu in spanning door het elan steeds verder op te rekken, weliswaar zonder de solist het gras voor de voeten weg te maaien. De trage polonaise uit de finale was er bijgevolg één van de valse soort: dartel en vinnig, mede dankzij de gevatte tussenkomsten van strijkers en blazers. Zelfverzekerd ging Faust de uitdaging aan. Doortastend en met afgemeten vibrato werd het langzame middendeel geïntoneerd. Soepel manoeuvreerde ze van snaar naar snaar, soms kermend, maar toch vooral intens smachtend. Techniek ten dienste van een hogere gevoelskunst, zoals we het graag horen en ook bij Queyras met plezier konden vaststellen. Zijn sierlijke interpretatie van het celloconcerto baadde in een warme gloed en een bijwijlen onaardse sonoriteit. Opvallend ook hoe de Fransman zeer ostentatief het oogcontact met de dirigent zocht. Het FBO volgde hem dan ook van zeer nabij. Spontaneïteit in de interactie en speelvreugde straalde van dit hoogstaande Klangkörper af.

 

Terecht kreeg de hele cast na afloop een staande ovatie voor deze bijzonder Schumanneske avond. Slotreflectie achteraf? Kunstmuziek is veruit het best gediend met componisten én uitvoerders die de gangbare paden durven verlaten.