Tancredi is allesbehalve een repertoirestuk. Het bekendste stuk, dat zowat een leven op zich is gaan leiden, is ongetwijfeld Di tanti palpiti, de aria van Tancredi uit het eerste bedrijf. De concertante uitvoering van de Munt toont aan dat de opera onvervalste Rossini is, met zijn typisch bruisende muziek. Sterk geëngageerde zangers en een goed aangespoord orkest en koor zorgden bovendien voor overtuigende dramatische taferelen.

Het verhaal speelt zich af in Syracuse in 1005. De vier hoofdpersonages zitten in een kluwen van politieke en persoonlijke verhaallijnen. Tancredi is een ridder die aanspraak maakt op de heerschappij van Syracuse, maar verbannen is door de huidige heerser Argirio. Syracuse wordt belaagd door de Saracenen onder leiding van Solamir. Om daar tegenop te kunnen, sluit Argirio een verbond met zijn rivaal Orbazzano. Dat verbond houdt in dat hij de hand van zijn dochter Amenaide aan Orbazzano belooft. Maar Amenaide houdt van de verbannen Tancredi. Een liefdesbrief van Amenaide aan Tancredi wordt onderschept en foutief geïnterpreteerd als een brief aan de vijand Solamir. Amenaide wordt van hoogverraad beschuldigd en ook de incognito teruggekeerde Tancredi vreest dat ze ontrouw is aan hun liefde. In plaats van een huwelijksfeest met Orbazzano, volgt dus een veroordeling van Amenaide. Tancredi is toch nog bereid haar te verdedigen en gaat een duel aan met Orbazzano waarin deze wordt gedood. Bij de belegering van Syracuse door Solamir neemt Tancredi het op voor zijn vaderland en verslaat de Saracenen. Solamir verklaart dat de brief valselijk in zijn bezit kwam en dat Amenaide dus trouw bleef aan Tancredi. Tancredi kan zo niet alleen de overwinning op de vijand maar ook die van de liefde vieren.

Briljant orkest

Dit is het originele slot van de opera zoals hij opgevoerd werd bij de première in La Fenice in Venetië in februari 1813. In de versie opgevoerd in Ferrara een week of zes later in maart 1813 wordt Tancredi zelf dodelijk gewond in de strijd en verneemt dan de toedracht van de liefdesbrief. Stervend verzoent hij zich met Amenaide. Nadien werd vooral de versie met het tragische einde opgevoerd, want een “lieto fine”, een happy end dat in de eerste helft van de negentiende eeuw niet contradictorisch was voor een opera seria, werd toch niet meer als echt logisch ervaren. De eerste van de twee concertante opvoeringen van de Munt in BOZAR was dus de meest originele, al was het volgen van beide versies voor wie de kans had uiteraard de meest boeiende keuze.

De uitvoering van de Munt gaf er sowieso ook wel zin in het werk twee keer te horen, want van bij de ouverture sprankelde de muziek en was het duidelijk dat voor Rossini muziek schrijven voor een opera seria even levendig en spits was dan voor een opera buffa. Dirigent Giuliano Carella slaagde erin het orkest met veel nuance te laten spelen: briljant in de dramatische en levendige passages, zoals bij de mars en de militante muziek op het einde van het eerste bedrijf en de ritmische muziek voor koor en volledig solistenensemble bij de verrassende finale van dit bedrijf. Maar evengoed met rust, plechtigheid of zachte lyriek. De accenten in de hoorn, herhaaldelijk in de hobo (voorbeeld in het tweede bedrijf in de inleiding tot scena en cavatina No, che il morir van Amenaide en in het duet tussen Tancredi en Amenaide, Lasciami, non t’ascolto), de engelse hoorn die de triestheid van Amenaide beklemtoont, de fluit, de contrabassen die wenen bij de woorden Perdonate questo pianto in de aria van Argirio waren gewoon prachtig.

Top-belcanto zangers

Bij de solisten was het uiteraard de titelrol van Marie-Nicole Lemieux die het publiek de adem benam. Eens te meer bewees ze dat ze gewoon een volbloed artieste is, die zelfs alleen al in de manier van haar entrée te maken toont dat ze haar personage ten volle beleeft. Haar diepe contralto zet ze niet alleen uiterst soepel en flexibel in voor de meest halsbrekende coloraturen, maar ze geeft ze daarbij steeds ook de juiste inhoudelijke gevoelswaarde mee, zoals het een goede belcantiste betaamt. Zo horen we nu eens venijn in haar interpretatie, maar evengoed vreugde, radeloosheid en vastberadenheid. Haar scala aan klankrijkdom gaat gepaard met een scala aan emoties. In de overbekende cabaletta Di tanti palpiti klinkt de herhaling van “Mi rivedrai, ti rivedrò dan ook duidelijk gevarieerd tegenover de eerste keer. Een ras-artieste buiten categorie.

Haar vader Argirio beschikte over een typisch belcanto-timbre van de “tenore leggiero” met kopstemnuances en heldere rijke kleuren in de vele versieringen. Een voor ons nu wat vreemde bezetting voor een vader-figuur, maar in de negentiende eeuw niet ongewoon. Een knappe vertolking door Enea Scala. De gehate plicht-geliefde Orbazzano werd door Ugo Guagliardo gepast met harde basnoten gezongen. Amenaïde werd met lyrische ontroering en absolute inleving in de emoties gebracht door de Georgische sopraan Salome Jicia. Haar coloraturen waren briljant en het duet met Tancredi in het tweede bedrijf (bij “Ah! Come mai quell’anima” ook weer met ontroerende hobo) was aangrijpend en subliem in homogeniteit tussen zowel beide stemmen als orkest. Ook de kleinere partijen van Isaura en Roggiero waren perfect bezet (Lena Belkina, Blandine Staskiewicz). Een concertante opvoering die als een waar pleidooi kan gelden voor Rossini’s opera seria.


  • WAT: Gioacchino Rossini (1792-1868) | Tancredi
  • STEMMEN: Marie-Nicole Lemieux, Enea Scala, Salome Jicia, Ugo Guagliardo, Lena Belkina, Blandine Staskiewicz
  • ORKEST: Symfonieorkest en Herenkoor van de Munt o.l.v. Giuliano Carella
  • WAAR: Henry Le Boeufzaal, BOZAR, Brussel (coproductie met De Munt)
  • WANNEER: zaterdag 14 oktober 2017