Op vrijdag 27 september 2013 musiceerden in deSingel in Antwerpen deFilharmonie en pianist Liebrecht Vanbeckevoort. Op het programma stonden het symfonisch gedicht Het Dodeneiland van Rachmaninov, het pianoconcerto Totentanz van Liszt en de Asraelsymfonie van Josef Suk.

Op vrijdag 27 september 2013 musiceerden in deSingel in Antwerpen deFilharmonie en pianist Liebrecht Vanbeckevoort. Op het programma stonden het symfonisch gedicht Het Dodeneiland van Rachmaninov, het pianoconcerto Totentanz van Liszt en de Asraelsymfonie van Josef Suk.

Het Dodeneiland is gebaseerd op het gelijknamige schilderij van de Zwitserse schilder Arnold Böcklin. Dit schilderij stelt de overgang van het leven naar de dood voor: een veerman vervoert een schim naar een exotisch eiland. Rachmaninov verklankt het schommelen van het bootje door een asymmetrische verdeling van accenten in de maatsoort 5/8. Bij het aankomen op het eiland verandert de maatsoort in ¾: de roeibeweging is gestopt en er wordt op een passionele wijze teruggekeken naar het voorbije leven, hoorbaar in een muzikale climax. Daarna verdwijnt de ziel in de duisternis, en de veerman keert terug en dus ook de maatsoort van het begin van het werk. Rachmaninov maakt dankbaar gebruik van het beginmotief van het Dies Irae, oorspronkelijk uit de gregoriaanse requiemmis, om de dreigende dood te symboliseren. Bij deze uitvoering missen we wel wat dat dreigende evenals de passie: net iets te vlak met hier en daar kleine intonatieproblemen.

De Totentanz van Liszt  draagt de ondertitel ‘Paraphrase über Dies Irae’. Het is geïnspireerd op een reeks houtsneden uit de zestiende eeuw van Hans Holbein, waarop skeletten de levenden naar het graf voeren, en op het veertiende-eeuwse fresco ‘Trionfo della morte’ in Pisa. De Dodendans is opgevat als een vrije variatiereeks met het ‘Dies Irae’ als voornaamste thema. Zoals gebruikelijk bij Liszt is de pianopartij technisch gezien erg veeleisend. Daar heeft de jonge Liebrecht Vanbeckevoort, finalist van de prestigieuze Koningin Elizabethwedstrijd in 2007, echter geen enkel probleem mee. Zowel de percussieve als de lyrische passages worden met volle overtuiging gebracht alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Hij bezit zowel de kracht als de poëzie om dit veeleisende werk tot ongekende hoogten te brengen en sleept in zijn enthousiasme ook het orkest mee. Het even enthousiast applaus is dan ook meer dan verdiend.

De Boheemse violist en componist Josef Suk schreef zijn Asraelsymfonie in c, opus 27, ter nagedachtenis van zijn schoonvader Dvorak. Tijdens het schrijven van het werk sterft tot overmaat van ramp ook Suks vrouw Otilie. De symfonie is genoemd naar Asrael, de Engel van de Dood in enkele religieuze tradities, die de zielen van de doden begeleidt op hun reis naar de eeuwigheid. Het werk bestaat uit vijf delen die door het gebruik van twee motieven een eenheid vormen. Eén van die motieven is ontleend aan Dvoraks Requiem opus 96 en bedoeld als hommage. Buiten dit motief is er van Dvoraks invloed niet veel te merken, maar des te meer die van Wagner.

De jeugdige dirigent Jakub Hrusa voelt zich in deze Asraelsymfonie helemaal in zijn sas en heeft het orkest volledig in de hand. Het feit dat Suk afkomstig is uit zijn regio is hier waarschijnlijk niet vreemd aan. We luisteren nu naar een veel gedrevener orkest met grote contrasten tussen zacht en sterk, rustige en bewogen passages, accellerandi en ritenuto’s.

Een pluim voor de vioolsolo die erg ontroerend speelt in de vierde beweging, Adagio: een portret van Suks overleden vrouw Otilie als het ware. Jakub Hrusa deed Suk alle eer aan en is voorzeker een beloftevolle dirigent die, naargelang de avond vorderde, meer en meer van zijn kunnen ten toon spreidde.