Gouden Label De bruisende furie van de Moldavische violiste Patricia op-haar-blote-voetjes Kopatsjinskaja hadden we al eens mogen ervaren, zodat weinig overtuiging nodig was om ons naar haar nieuwe optreden in deSingel te lokken. 

Gouden Label De bruisende furie van de Moldavische violiste Patricia op-haar-blote-voetjes Kopatsjinskaja hadden we al eens mogen ervaren, zodat weinig overtuiging nodig was om ons naar haar nieuwe optreden in deSingel te lokken. 

Het Nederlandse strijkorkest Amsterdam Sinfonietta heeft ook al een reputatie bijeen gevedeld om ‘u’ tegen te zeggen. De combinatie van beide kon dus niet fout lopen. Gastsolist in een bewerking van Tzigane van Ravel (zie verder) was Viktor Kopatsjinski (vader van…), een van de meest befaamde cimbalomspelers ter wereld.

Het concert begon met Drie Koraalpreludes, opus 122 van Johannes Brahms (1833-1897) in een bewerking voor strijkorkest. Er heerst een sfeer van afscheid in dit werk. Brahms had in korte tijd zowel zijn broer Franz als zijn zus Elise en een aantal vrienden verloren. Dit lijkt niet iets om een optreden mee te beginnen… Fout gedacht, want Amsterdam Sinfonietta o.l.v. een bijzonder inspirerende Candida Thompson brengt ons in een stemming die meteen smeekt om méér van dat. Het ensemble speelt staande. Om een of andere reden blijkt een grotere betrokkenheid van de muzikanten met de muziek én met het publiek. Metafysische symbiose misschien. Drie vierden van de muzikanten zijn vrouwen maar vooral belangrijk is het feit dat het stuk voor stuk solisten zijn die – al klinkt dit tegenstrijdig – bijzonder coherent samen spelen. Eén beweging, één oogopslag van Thompson volstaat om in een correct tempo, met de juiste intonatie en bijbehorende variatie echte muziek te laten klinken. Subliem.

Furie

Zoals gezegd, is Patricia Kopatsjinskaja een en al furie. In een prachtige gele jurk verschijnt ze op het podium, groet lachend het publiek en de collega’s en… schopt haar pantoffeltjes uit om, zoals we dat intussen van haar gewoon zijn, op blote voeten te spelen. Daar is een spijkerdichte verklaring voor: het contact met de vloer – met moeder aarde zo u wil – zorgt voor een grotere intensiteit en betere transmissie van het juiste gevoel. Precies ook daarom is het rechtstaand spelen door de andere muzikanten zo belangrijk. En intens is het meteen. Bij de allereerste noot die “patkop” (zo vind je haar terug op het internet: www.patkop.ch) laat horen, krijg ik kippenvel en tranen in de ogen. Wat is me dat zeg.

Het ‘kleine’ Vioolconcerto in d (1822) van Felix Mendelssohn-Bartholdy (1809-1847) wordt veel minder vaak uitgevoerd dan dat ‘andere’ in e dat twintig jaar later gecomponeerd werd. Klein? In formaat allicht maar zeker niet op het vlak van inspiratie en voor de uitvoerder virtuoos even veeleisend als het grote, veel bekendere concerto. Het ‘kleine’ concerto was bedoeld voor de huiselijke kring en belandde dan ook in een lade. Pas in 1952 kwam het weer boven dankzij niemand minder dan Yehudi Menuhin, die het stuk terugvond in Berlijnse archieven en het als de bliksem op het podium bracht. De term bliksem gebruik ik opzettelijk om te verwijzen naar bepaalde passages die PatKop dan nog onderstreept in twee adembenemende cadenza’s. In het allegro laat Mendelssohn inderdaad virtuositeit aan het woord. In het andante is het de beurt aan melodische inventiviteit en het slotdeel, opnieuw allegro, verwijst naar de sprookjeswereld van Ein Sommernachtstraum (1826). Patricia Kopatsjinskaja dwingt respect af, maakt grote indruk, slaagt erin het publiek muisstil te houden en brengt iedereen in hemelse vervoering. Geen wonder dat een daverend applaus haar vlotjes tot twee ‘encores’ noopt. Een brok Bartók en een “very beautiful” (haar eigen woorden) portie Enescu. Maar dat is pas net voor de pauze. Eerst de volgende baken in het vioolrepertoire: Tzigane van Maurice Ravel (1857-1937). Er werden al vele bladzijden gevuld met commentaar over o.a. de Spaanse invloed in de muziek van Ravel maar Tzigane tapt uit een totaal ander vaatje. Tzigane betekent namelijk zigeuner. Ravel absorbeerde dus allerlei etnische invloeden. Tzigane droeg hij op aan de Hongaarse violiste Jelly d’Arányi. Zuiver stilistisch klinkt het eigenlijk vrij ruw tot zelfs  primitief (zoals ook flamenco). In de versie voor strijkers, viool en cimbalom krijgt het stuk nochtans een bepaald karakter waar men dan weer niet omheen kan. Opnieuw vertoon van onwaarschijnlijk grote virtuositeit. Ook papa Kopatsjinski tokkelt nog als een jonge knaap op het een beetje ondankbare instrument. De zaal ligt zo ongeveer plat…. rijp voor de encores die Patricia zichtbaar graag cadeau doet.

And now for something completely different

Of toch weer niet, want na de pauze zitten we opnieuw bij Brahms: het Strijkkwartet nr. 2 in G, opus 111. Strijkkwartet met pakweg twintig strijkers? Amsterdam Sinfonietta is niet aan zijn proefstuk toe. Een bewerkte versie van het Strijkkwartet nr. 1 werd reeds op cd gezet. En helemaal ver weg van wat vooraf gaat, is het tweede strijkkwartet dan ook weer niet. De thema’s, vooral in het laatste deel, brengen ons terug naar, juist ja, Hongarije. De bewerking van een strijkkwartet voor (relatief) groot strijkensemble is wel een bijzonder goede optie. Het is alsof de ‘stemmen’ (viool, altviool, cello) breder, dieper en voller gaan klinken. Het onderscheid tussen hoog en laag is nu kristalhelder: viool, altviool, cello en contrabas. Een betere harmonie en evenwicht tussen strijkinstrumenten kan men zich niet inbeelden.

Om af te ronden beloont het ensemble het aandachtige publiek met… een Hongaarse dans van Brahms. Een beetje lichtvoetig naast wat daaraan vooraf ging, maar best geschikt om een perfecte avond in schoonheid te beëindigen.