Drie toverwoorden moesten de liefhebbers van kamermuziek op een doordeweekse avond naar het cultuurcentrum in Hasselt lokken: Pavel Haas Quartet. Getuige de opvallend lage opkomst, sloeg de formule in het verre Limburg niet aan, ook al zorgde het viertal met Haydn, Dvořák en Brahms wel voor enkele magische momenten.

Drie toverwoorden moesten de liefhebbers van kamermuziek op een doordeweekse avond naar het cultuurcentrum in Hasselt lokken: Pavel Haas Quartet. Getuige de opvallend lage opkomst, sloeg de formule in het verre Limburg niet aan, ook al zorgde het viertal met Haydn, Dvořák en Brahms wel voor enkele magische momenten.

 

In het steeds dichter bevolkte land der solisten komt het fenomeen wel vaker voor: een blitzcarrière. Talent dat op zeer jonge leeftijd bovendrijft en er vervolgens ook in slaagt om door te breken. Maar vergt de weg naar de top bijzonder veel inspanningen, dan is het een huzarenstukje om daar ook te blijven. Dát is de echte kunst, zo wil het cliché. In kamermuziek gelden er van nature andere regels. Door haar relatieve beslotenheid speel je doorgaans niet voor de grote massa. En je staat ook nooit helemaal alleen in de spotlights. Toch kan, mede dankzij enkele succesvolle concoursen, financiële hulp van een stichting en positieve kritieken in de vakpers, ook de ster van deze ensembles  razendsnel  rijzen. Met de “Premio Paolo Borciani”op zak, het Borletti-Buitoni Trust als gulle schenker en een handvol fel bewierookte cd-opnames is het parcours van het Pavel Haas Quartet er de  allesbehalve  stille getuige van. Sinds 2005, en in slechts enkele jaren, heeft de carrière van dit Tsjechische kwartet een opmerkelijk hoge vlucht genomen. “The world's most exciting string quartet?”, luidde de even boude alsook retorische kop van Gramophone in februari 2010. Meer pertinent tijdens dit concert in het cultuurcentrum Hasselt was de volgende vraag: deed het Pavel Haas Quartet deze reputatie eer aan?

 

Mérite un détour

 

Spannend aan dit viertal was onder meer haar naam: een eerbetoon aan hun landgenoot Pavel Haas (1899-1944), begiftigd leerling van Janáček wiens (kamer)muziek het piepjonge ensemble onder de aandacht wou brengen nadat deze samen met hem een te vroege dood was gestorven in Auschwitz. Hun eerste twee platen waren dan ook integraal aan meester en pupil geweid. Een gedurfde keuze die hen dus geen windeieren zou leggen en vanzelfsprekend een vervolg kreeg op het podium. Het klassiek-romantische programma van vanavond was evenwel minder avontuurlijk. Geen vergeten componist of modern werk op de pupiter, wel drie gecanoniseerde grootheden – Haydn, Dvořák en Brahms. Namen als klokken waarvan je verwacht dat ze een breed publiek zullen aanspreken, maar dat viel fameus tegen. De grote concertzaal van het CCHA leek haast leeg: groepjes mensen hier en daar, hooguit een vijftigtal “hoorlustigen”. Verbijsterend. Want zoals ze bij de Michelin-gids zouden oordelen, was dit minstens op papier een “Vaut le voyage”-gelegenheid. Programmeer dit in pakweg de Gentse Handelsbeurs en het loopt storm. Gegarandeerd, zo bleek in 2011 en 2013.

 

Bij aankomst klonk reeds de sierlijke Allegretto-inleiding op het vijfde Erdödy-kwartet van Joseph Haydn (1797) – zo niet het mooiste, dan toch zeker een van de meest boeiende uit de reeks van zes. Veelzijdigheid is dé troef van dit werk, opgebouwd rond een uitgesponnen, melancholische trage beweging. Of hoe het niet altijd de stukken met bijnaam zijn die het grootste genot verschaffen. De opluchting dat we alsnog achteraan de zaal mochten plaatsnemen, ruimde al snel plaats voor agitatie. Aangevuurd door een springerige cellist plaatse het kwartet een van die tussensprintjes waarmee Haydn dit openingsdeel (Allegro) op gevatte wijze verlevendigde. Schril was het contrast met de haast onaardse sereniteit die het contemplatieve Largo uitademde. Fijntjes geïntoneerd en minutieus gefraseerd groeide deze beweging uit tot een lange, vroegtijdige climax. Het Menuetto miste weliswaar wat schwung, had bijwijlen gerust wat feller aangezet mogen worden, maar dat werd ruimschoots goedgemaakt door een speelse finale. Het Presto was bijzonder vinnig en spitant zonder ook maar een moment aan zuiverheid in te boeten. Slotsom: geen drie sterren, maar beslist de omweg waard.

 

Vol passie?

 

Om de muziek van Antonin Dvořák op een overtuigende manier uit te voeren, is het (uiteraard) geen vereiste om als ensemble de Tsjechische nationaliteit te bezitten. Het Takács Quartet bewees dit onlangs nog met verve in deSingel. Maar dat affiniteit met de Midden-Europese toonspraak wel kan helpen, dat onderstreepte het Pavel Haas Quartet met haar bekroonde Supraphon-uitgave van diens twaalfde – het beroemde “Amerikaanse” – en dertiende strijkkwartet. Bovendien stond deze avond het zogenoemde “Slavische” kwartet op het programma (1879), dat met zijn dumka in het tweede deel en een gepolijste skočná in de finale veruit tot de meest folkloristische composities uit Dvořáks omvangrijke kamermuziekoeuvre behoort. Gesneden koek dus voor dit viertal, zou je zo denken. En jawel, het Pavel Haas Quartet smeedde de eerste beweging (Allegro ma non troppo) – met haar prachtige dialogen en genereuze uitwisseling van thema's – tot een hecht, dynamisch en bij momenten ook stemmig geheel. Het geestdriftig enthousiasme in de opgewekte slotbeweging (Allegro assai), inclusief aanstekelijke accenten, zorgde net als bij Haydn voor een wervelend orgelpunt. Maar om ook echt te beroeren, schoot de uitvoering van de middendelen tekort. Het lijzige, haast afgelikte Andante miste flair en door een frappant gebrek aan kleur, gevolg van een gemakzuchtige vingerzetting, ontbrak het de daaropvolgende Romanze aan diepgang. De gepassioneerdheid die deze muziek onmiskenbaar typeert, werd daardoor helaas in de knop gebroken.

 

Het tweede deel van het concert begon eveneens met een, ditmaal organisatorische, sisser. De bel die normaliter het einde van de pauze inluidt, had niet gerinkeld, en dus ging ook een aanzienlijk deel van de hartstochtelijke eerste beweging van Brahms' tweede strijkkwartet (1873) aan onze neus voorbij. Stille vloek, meteen gevolgd door intens drama, want dat is wat zowel dit werk als haar lezing door het Pavel Haas Quartet kenmerkte. Brahms – vooral hij – is een componist wiens dichte muzikale texturen je voor de toehoorders omzichtig moet blootleggen. En dat doe je door minstens een secure timing en dito evenwicht tussen de vier stemmen. Werd aan de eerste vereiste nog voldaan, dan kon dit veel minder gezegd worden van de balans tussen de violen: een manco dat zich vooral in het lyrische Andante moderato manifesteerde. Maar waaraan het deze trage beweging nog het meest ontbrak, was inleving, een doorleefde gloed die in het oor blijft plakken. De puls die Haydn ontbeerde, was in het raadselachtige Quasi Minuetto dan weer wel prominent aanwezig. En naar onderhand uitstekende gewoonte werd de ijzingwekkende finale (Allegro non assai)  voortvarend  aangepakt – een fraaie apotheose na een iets té oppervlakkig parcours.

 

Op zaterdag 17 mei doet het Pavel Haas Quartet het Brusselse conservatorium aan in het kader van een minifestival rond Dvořák. In combinatie met Smetana kleurt het programma dan volledig Slavisch. Een nieuwe gelegenheid voor dit kwartet om haar reputatie over de hele lijn waar te maken.