De nabootsing van een indruk volgens de ene, die blik in haar ogen volgens de andere. Tja, wat is kunst eigenlijk? To do a dangerous thing with style, is what I call art, zo opende Dirk De Wachter zijn lezing over dit onderwerp met een vers van Charles Bukowski. Het Quatuor Tana antwoordde toepasselijk met gedurfde muziek van Philippe Boesmans en Arnold Schönberg.

De nabootsing van een indruk volgens de ene, die blik in haar ogen volgens de andere. Tja, wat is kunst eigenlijk? To do a dangerous thing with style, is what I call art, zo opende Dirk De Wachter zijn lezing over dit onderwerp met een vers van Charles Bukowski. Het Quatuor Tana antwoordde toepasselijk met gedurfde muziek van Philippe Boesmans en Arnold Schönberg.

Of je nu Plato of Stijn Meuris heet, filosofische dialogen te boek stelt of populaire liedjesteksten schrijft, de vraag naar het wezen van de kunsten is van alle tijden. deSingel legde haar voor aan Dirk De Wachter, dezer dagen zowat de rockster onder de Vlaamse psychiaters-psychotherapeuten. Deze popstatus ontleent hij niet alleen aan zijn opvallende looks – de gelijkenis met Nick Cave is niet uit de lucht gegrepen – of de jongensdroom om gitarist te worden, maar evengoed aan diens frequente tussenkomsten in de media en de wijze waarop De Wachter in zijn boeken de hedendaagse samenleving en condition humaine diagnosticeert. Tot zijn eigen (gespeelde?) verbazing stelde de BP een ruime opkomst vast. Maar valt de belangstelling voor 20ste-eeuwse klassiek inderdaad soms mager uit, dan was het te verwachten dat een bekende naam als die van De Wachter het publiek op een zaterdagavond wel naar deSingel zou lokken.

In een eerste deel voorzag het opzet in de afwisseling van voordracht en fragmenten uit het tweede strijkkwartet (1994) van Philippe Boesmans. Omdat het belangrijk is je onderwerp goed af te lijnen, stak De Wachter van wal met het gedicht Style van de Amerikaan Charles Bukowski (1920-1994), waaraan hij een ruime definitie van kunst ontleende: To do a dangerous thing with style, is what I call art. Een kunstenaar kleurt buiten de lijntjes, neemt risico’s en maakt zo het verschil. Daaruit spreekt een attitude die even belangrijk is als het kunstwerk zelf, want To do a dull thing with style is preferable to doing a dangerous thing without style.

Visionaire veerdienst

Kan de kunst nog een verschil maken, vraagt De Wachter zich retorisch af. Hij stelt hoe dan ook hoge verwachtingen aan de kunsten. Deze bieden minstens in potentie een tegengif voor de maatschappelijke kwalen die in zijn succesvolle boek Borderline times. Het einde van de normaliteit zo genadeloos worden beschreven. Tegenover de toenemende individualisering plaatst de dokter een kunst die fundamenteel verbindend kan zijn, die verscheidene culturele achtergronden overstijgt en wederzijds bevrucht en aldus een antwoord geeft op de “verbrokkelende krachten die soms de overhand lijken te krijgen op de collectieve en samenhorige vermogens.” Het kunstwerk vormt volgens De Wachter de veerdienst tussen ik en de ander en is aldus bij machte om de verlammende angst en onoverbrugbare vervreemding te overschrijden. Het slaan van deze brug is in het huidige klimaat van dreiging en wantrouwen allicht noodzakelijker dan ooit.

Tot frustratie van velen is kunst volgens De Wachter meerduidig, gelaagd en vaak niet onmiddellijk nuttig of rendabel. Ze appelleert niet alleen aan de ratio, maar zorgt voor verwarring en verwondering en toont haar beperkingen door het onbegrijpelijke en het onmogelijke tot onderwerp te maken. Op die manier staat de kunst haaks op simplistische modellen die een schijn van beheersing geven en zich op efficiëntie, maakbaarheid en berekening baseren. De Wachter ziet kunst ook als een diepgewortelde behoefte van de menselijke natuur, de grondlaag waarop de hele menselijke bedrijvigheid wordt gebouwd. “De mens wordt mens in de creatieve daad en overstijgt zo zijn instinctmatige zijn.” In kunstwerken spiegelt hij zijn bestaan en wordt er betekenis gecreëerd. Zodoende is kunst een essentiële kracht in de geschiedenis, waarin zij onophoudelijk blijft oprijzen en die – soms zonder het zelf te beseffen – vooroploopt in haar visionaire verbeelding. 

Glaciale spankracht

De vrees als zou De Wachters discours wollig en weinig concreet zijn, werd niet bewaarheid. Jawel, zijn betoog klonk soms wat hoogdravend, met adjectieven, werkwoorden en een occasioneel neologisme (zelvigheid, vernietst, zijnsgrond) die als waren het tertsen gretig op elkaar werden gestapeld. Maar uit diens boodschap, op bezwerende toon voorgedragen, sprak bovenal een hoopvol geloof in het wezenlijke verschil dat de kunsten kunnen maken. Niet dat dit als een vanzelfsprekendheid mag worden aangenomen. Vandaar de oproep tot actie waarmee De Wachter, opnieuw met een vers van Bukowski, zijn lezing afsloot: We must bring our own light to the darkness. Elkeen moet de creatieve krachten in zichzelf aanspreken.

Iemand die aan deze oproep reeds veelvuldig gehoor heeft gegeven, is de Belgische componist Philippe Boesmans. Als ‘composer in residence’ van de Munt gooide hij vooral met zijn opera’s hoge ogen. Maar ook in de kamermuziek liet de Tongenaar zich opmerken. Zo werd ‘Summer dreams’ in februari 1995 door het beroemde Arditti Quartet gecreëerd. Vanavond verzorgde het Quatuor Tana de helft van de in totaal acht korte delen waaruit dit sfeervolle werk is opgebouwd. Wie vertelde daar ook alweer dat kunst verwarring en verwondering opwekt? De zich zuchtend en prikkelend ontvouwende klankwereld maakte inderdaad een bevreemdende indruk. Ragfijne, glaciale strijkersgeluiden leken te botsen met het seizoen dat de componist wenste te evoceren. De scheidslijn tussen abstracte droom en dissonante nachtmerrie was op zijn minst wazig. Oosters aandoende motieven maakten de ambiguïteit compleet. Aan de hand van korte stiltes en weerbarstige, ontregelende ritmes werd spankracht opgebouwd. Het Quatuor Tana gaf er op een zeer gevatte manier invulling aan, en dit ondanks het feit dat de delen niet meteen achter elkaar konden worden uitgevoerd. Ver- en vooral bewondering was er voor de technische accuratesse en het exemplarische inlevingsvermogen van dit jonge viertal. Want het onnavolgbare bevattelijk maken: ook dat is een kunst.

Expressieve en vocale wendbaarheid

Eenzelfde uitdaging stelde het tweede strijkkwartet van Arnold Schönberg. To do a dangerous thing with style: het was precies dat wat de Oostenrijkse componist met deze gedurfde muziek bewerkstelligde. Niet alleen sloeg Schönberg in de laatste twee delen van dit werk de tonale grond vanonder de voeten weg, hij voegde er ook een sopraan aan toe. Vooral dat laatste was ongehoord en zorgde tijdens de première eind 1908 voor controverse bij het conservatieve Weense publiek. Wie sprak daar ook alweer over de visionaire verbeelding van de kunstenaar? Het feit dat de luisteraar daarentegen nauwelijks een breuk in het klankidioom waarneemt, bewijst op een auditieve manier dat de overgang van tonaliteit naar atonaliteit geen plotse zwenking was, maar een logische stap in een organisch proces. Met breekpunten moet men in de geschiedenis inderdaad goed uitkijken, zoals musicoloog Arne Herman in het programmaboekje terecht onderstreepte.

Dankzij de fragmenten van Boesmans waren de oren alvast afgestemd op een muzikale zwerftocht waarvan de inherente logica soms moeilijk(er) te vatten is. Het Quatuor Tana hield de toehoorders echter op koers, legde de texturen van het werk op een voortreffelijke manier bloot, maar had tezelfdertijd ook oog en oor voor de dynamische fluctuaties van het koortsachtige openingsdeel (Mässig). Expressieve wendbaarheid en ritmische panache kwam de musici ook in het daaropvolgende scherzo (Sehr rash) zeer goed van pas. Eerst geagiteerd huppelend, dan weer onwennig wiegend: het viertal toonde zich op alle ogenblikken op zijn qui-vive en accentueerde snedig. Dat deed ook Caroline Melzer. De power die de Duitse sopraan in de slotbede van Litanei – het eerste van twee gedichten van de Duitse symbolist Stefan George (1868-1933) – op de woorden ‘wunde’ en ‘liebe’ ontwikkelde, was ronduit overweldigend, het contrast met de daaropvolgende berusting (‘gib mir dein glück’) pakkend. Een geslaagd staaltje van vocale souplesse, die ook in Entrückung meermaals succesvol op de proef werd gesteld.

Dit was een avond die voer tot nadenken verschafte en uitdagende muziek liet horen die noopt tot actief herbeluisteren. Zo zouden er gerust meer mogen zijn.