Ze zitten inmiddels al aan nummer vijf, de organisatoren van het Music Chapel Festival. Deze editie was er opnieuw één enkele headliner: Ludwig Van Beethoven. Op een week tijd werden tientallen werken van het genie uit Bonn uitgevoerd. Klassiek Centraal pikte er drie concerten uit en genoot van flink wat aanstormend talent, plus een van de grandes dames van de piano.

Ze zitten inmiddels al aan nummer vijf, de organisatoren van het Music Chapel Festival. Deze editie was er opnieuw één enkele headliner: Ludwig Van Beethoven. Op een week tijd werden tientallen werken van het genie uit Bonn uitgevoerd. Klassiek Centraal pikte er drie concerten uit en genoot van flink wat aanstormend talent, plus een van de grandes dames van de piano.

De Muziekkapel Koningin Elisabeth zond zes dagen lang haar zonen en dochters uit. Of meer precies: ze liet hen met gepaste trots hun muzikale kunnen demonstreren op de podia van Flagey. De talentvolle lichting jonge muzikanten, zangers en kamermuziekensembles kreeg daarbij in een aantal gevallen het gezelschap van gevestigde waarden uit binnen- en buitenland, zoals huisorkest Brussels Philharmonic of de Duitse bariton Dietrich Henschel. Na Chopin, Brahms, 'A la française' en 'The Romantics' stond deze vijfde editie quasi volledig in het teken van Ludwig Van Beethoven. Alle grote concerti, verscheidene symfonieën en een resem kamermuziekwerken vulden het programma. Bekende hits stonden broederlijk naast minder uitgevoerd werk. En in samenwerking met Cinematek werd zelfs een filmcyclus op poten gezet. Een heuse marathon dus, met de achterkleinzoon van een bakker uit Mechelen als centrale figuur.   

Brocal, Kim en Hudziy

Terwijl in Studio 4 alles nog in gereedheid werd gebracht voor een live-uitzending op Musiq’3 van het concert van Le Concert Olympique onder leiding van Jan Caeyers later die avond, ging het Music Chapel Festival in de catacomben van Flagey met een valse noot van start. De cellist van het Franse Trio Suyana moest immers ziek afhaken en in allerijl werden enkele andere musici bereid gevonden om het festival te openen. Dank aan de drie invallers uiteraard, evenals chapeau om zich in minder dan 24 uur klaar te stomen, maar daar sta je dan wel mooi met je voorbereiding. En dus kregen de toehoorders in Studio 1 in plaats van twee pianotrio’s een piano- en een vioolsonate voorgeschoteld. De Franse pianist Julien Brocal (°1987), die deze zesdaagse als solist in het Keizersconcerto overigens ook zou afsluiten, mocht dus uiteindelijk ook de spits afbijten met de sonate “Les Adieux” (opus 81a), het enige programmatische werk dat Beethoven in dit genre zou componeren. Het werd een puike prestatie. Het weemoedige vaarwel waarmee deze sonate caractéristique begint (Das Lebewohl), kreeg een expressief grave-karakter mee, terwijl in het onstuimige vervolg een evenwichtig meesterschap over elke uithoek van het Yamaha-klavier aan een genuanceerde aanslag werd gekoppeld. Minder overtuigd was ik daarentegen door het lijzige tempo van het bedrukte Abwesenheit, dat bijgevolg ook uitmondde in een veel te brave attacca op de finale (Das Wiedersehen). Pas bij de reprise van het thema sloeg de motor van Brocal echt aan en ging de intensiteit met een ruk de hoogte in, weliswaar zonder aan subtiliteit in te boeten. Zo werd dit uitbundige slot alsnog een heuglijk weerzien.    

Vervolgens was het de beurt aan de Zuid-Koreaanse violist Woo Hyung Kim (°1991) en de Oekraïense pianiste Christia Hudziy (°1983). Het duo had de zevende sonate, de tweede uit de drieling van het opus 30, meegebracht. De titelpagina van deze werken, waarop wordt gesteld dat dit drie sonates voor pianoforte met vioolbegeleiding zijn, maakt onomwonden duidelijk wie in deze muziek de boventoon mag voeren. Elk van de (uitzonderlijk) vier bewegingen wordt ook door de piano ingezet: eerst mysterieus, dan contemplatief, vervolgens speels huppelend en tot slot ronduit ernstig. Maar met Hudziy, zelf een vaste begeleidster aan de Kapel, zat aan de toetsen iemand die zich in het samenspel onvoldoende manifesteerde. Nochtans waren haar zin voor timing en grote responsiviteit exemplarisch. Maar een goede balans is een essentiële voorwaarde voor een degelijke uitvoering, en net die was helaas soms zoek. Zeker in het Allegro con brio zette Kim door zijn frenetieke spel het discours van zijn muzikale partner in de schaduw, terwijl diens overdadige vibrato – versta: op bijna elke noot – het zangerige karakter van het daaropvolgende Adagio goeddeels teniet deed. Eens zo jammer, want dit is nochtans een bijzonder bekoorlijke beweging. Jeugdige onbezonnenheid lag vermoedelijk ook aan de basis van de onstuimigheid waarmee de violist de finale van een allegro in een presto transformeerde. Was er dan werkelijk niets meer aan positiefs te melden? Toch wel. Er was de stelligheid waarmee het mars-achtige tweede thema van het openingsdeel werd vertolkt, en in het canonische trio van het Scherzo viel alles heel mooi op zijn plaats, maar al bij al iets te veel kanttekeningen om van een echt geslaagde uitvoering te spreken. 

Na afloop, de zaal was al bijna leeggelopen, steeg plots het thema van Beethovens “Erzherzog”-trio uit de vleugel op. Beteuterd stelde de jongeman zichzelf voor als de toetsenist van het Trio Suyana. Het is inderdaad ontzettend sneu als je na vele uren studeren het resultaat van al die noeste arbeid niet met een ruimer publiek kan delen.

Yoon, Fleszar én Pires

Maar wat heet een ruim publiek. Voor dit eerste concert hadden slechts een vijftigtal mensen de weg naar Flagey gevonden: een levensgroot verschil met het begin van dag twee van het festival. Studio 1 zat afgeladen vol. Om de massa te ontvangen, waren er zelfs stoelen bijgeplaatst, tot op het podium toe. De verklaring voor deze toestroom moest niet ver gezocht worden. Drie woorden volstaan: Maria João Pires. “Haar naam op zich is al muziek. Je moet niet in God geloven, maar musici van haar allure zijn een godsgeschenk”, schreef onze hoofdredacteur in zijn lyrische recensie van onder meer de Erato-box met heruitgaven naar aanleiding van de 70ste verjaardag van deze grande dame van de piano. Sinds kort is de Portugese als Master in Residence van de Muziekkapel aan het werk. Opnieuw een godsgeschenk dus, deze keer voor de vele jonge pianisten die in het groen van Waterloo aan hun carrière timmeren. Eén van hen, de Pool Marcin Fleszar (°1985), accompagneerde de Zuid-Koreaanse cellist Han Bin Yoon  (°1988) in Beethovens eerste cello- en pianosonate. Voor de andere helft van diens opus 5 nam Pires zelf aan het klavier plaats.

Het grondplan van de cellosonates in F en g is grotendeels gelijklopend. Beide hebben een tweeledige structuur waarop Beethoven een gebalde, trage introductie componeerde. Om die precies goed te krijgen, zijn een cellist met een beheerste boogvoering en een ritmisch alerte pianist(e) een must. Gelukkig hadden we die tijdens deze vooravond beslist in huis. Yoon en Fleszar voelden en vulden elkaar aan alsof ze al jaren samenspeelden. Hun verstandhouding klonk zelfs nog een stuk beter dan die tussen Yoon en Pires. Hadden de mannen vooraf net iets vaker samen geoefend? Allicht wel. De Zuid-Koreaan liet zich voorts in gunstige zin opmerken door een zeer smaakvol legato. Een stuk stroever verging het hem daarentegen tijdens de spiccato-passages in zowel het Allegro als het Rondo van de eerste sonate, waarbij opvallend vaak onzuivere klanken werden geproduceerd. Aan de piano toonde Fleszar zich van zijn meest lucide kant. En als je nadien de innemende Pires bezig hoorde, wist je ook meteen waar de jonge Pool de mosterd haalde. Het enige minpuntje te midden van de zalig uitgesponnen cantilenes en bevlogen dialogen was de moeizame manier waarop er samen dynamiek werd gemaakt, vooral dan in het Allegro molto più tosto presto van de tweede sonate. Voor Yoon was het immers niet makkelijk om tegen de wijd open vleugel op te tornen, hetgeen het afwisselend toewerken naar een climax aanzienlijk bemoeilijkte.    

Buksha, Desaint, Pae en Grigoryan

Maar niet getreurd, want een onmiskenbaar hoogtepunt viel er op de voorlaatste dag van het Music Chapel Festival te beleven. Daarvoor zorgden met name deze vier jongedames: de Letse violiste Elina Buksha (°1990), de Franse altiste Hélène Desaint (°1984), de Amerikaans celliste met Zuid-Koreaanse roots Deborah Pae    (°1988) en de Armeense pianiste Lilit Grigoryan (°1985). Dat muziek de universele taal par excellence is, werd daarmee nog eens fijntjes onderstreept, maar in verschillende samenstellingen deed dit viertal meer dan dat. Véél meer. Eerst pakten ze gezamenlijk de versie voor pianokwartet van Beethovens kwintet voor piano en blazers (opus 16) aan. Van bij de majestueuze unisono inzet (Grave) was hun ensemblespel een schot in de roos. De versmelting van timbres klonk gewoonweg hemels en dat vertaalde zich in een verzorgd, mooi afgerond geluid. Het betekende ook het startschot voor een uitvoering die alles in zich droeg om te beklijven: dynamische nuances en snedige accenten in de geanimeerde hoekdelen en geniale fraseringen in het betoverende Andante cantabile. De gevatte wisselwerking tussen piano en strijkers zette het concertante karakter van dit werk extra in de verf. Kippenvel was ongetwijfeld niet alleen mijn deel bij het aanhoren van zoveel tijdloze schoonheid.  

Het cliché wil dat vrouwen beter kunnen luisteren dan mannen, hetgeen in kamermuziek een niet te onderschatten troef is. Dat werd nogmaals bewezen in de twee daaropvolgende werken: de achtste vioolsonate, tevens de derde telg uit het opus 30, en het maar zelden gespeelde derde strijktrio uit het opus 9. In de sonate hoorden we een nagenoeg perfecte entente tussen twee geëngageerde musici die de aandacht van de toehoorders van begin tot eind makkelijk vasthielden. Grigoryan toonde zich assertiever dan Hudziy eerder op de week en gaf in het melancholische Minuetto elke noot haar juiste gewicht. Uit haar lichaamstaal sprak een groot inlevingsvermogen, dewelke mooi was om zien én horen. Buksha liet zich van haar kant evenmin onbetuigd, maar deed dit steeds overdacht, zoals bleek uit het gedoseerde vibrato en de fraai gearticuleerde sforzandi. In de finale (Allegro vivace) loste het tweetal elkaar voor geen vin, met een bijzonder energiek resultaat tot gevolg. Ook in het strijktrio werd er met veel bezieling gemusiceerd. Terwijl viool en alt elkaar in het Allegro con spirito continu aanvuurden, liet de cello zich met enkele knappe begeleidingsfiguren opmerken. Over de prachtige klankkleuren – deze keer vooral treffend in het Adagio con espressione – had ik het reeds, maar het kan geen kwaad deze nogmaals te bewieroken. Sommige instrumenten zijn nog meer gemaakt om samen te klinken dan anderen, zo leek het wel. Het vinnige Scherzo was heerlijk spitant, zoals het hoort, en tijdens het bloedstollende Presto zat ik nog met één enkele vraag in het hoofd: is dit het beste dat ik dit seizoen al hoorde? Het kwam alleszins zeer dicht in de buurt.

“Muziek maken is geen werk, het is een privilege…”, stond er te lezen op het overlijdensbericht van een Gentse zanger die het voorbije weekend veel te vroeg ten grave werd gedragen. Hetzelfde geldt voor het live kunnen meemaken van muziek, zeker als deze van Beethovens hand is en jonge mensen er hun hart en ziel inleggen.