Drie zeer verscheiden vioolsonates, twee doorwinterde musici en één eigengereide toondichter: ze kwamen samen aan de start in de grote zaal van het Concertgebouw Brugge. En hoewel de tandem Mullova-Giacometti geen vlekkeloos parcours reed, toch arriveerde hij in uitdagende omstandigheden met overtuiging aan de finish.

Drie zeer verscheiden vioolsonates, twee doorwinterde musici en één eigengereide toondichter: ze kwamen samen aan de start in de grote zaal van het Concertgebouw Brugge. En hoewel de tandem Mullova-Giacometti geen vlekkeloos parcours reed, toch arriveerde hij in uitdagende omstandigheden met overtuiging aan de finish.

 

Het was aan die eindstreep dat Beethoven – een componist die dit seizoen nooit ver weg is aan 't Zand – het duo met een brede grijns opwachtte. Viktoria Mullova en Paolo Giacometti hadden er net diens roemruchte Kreutzer-sonate (1803) opzitten: de negende voor viool en piano en een helse brok muziek die binnen het repertoire onmiskenbaar te boek staat als een col hors catégorie. Een sonate gecomponeerd in een zeer concertante stijl, bijna als een concerto, zoals de grote maestro dit beklijvende karakterstuk zelf omschreef. Daartegen vertoonde het programma voor de pauze heel andere trekken. Zeker de Frühling-sonate (1801), met zijn zorgeloze lyriek in de beide hoekdelen moeiteloos de meest geliefde van de tien stuks die Beethoven componeerde, laat een verschillend, veel minder stormachtig geluid horen. De vierde vioolsonate ten slotte, haar onverschrokken  tweelingbroer  die aanvankelijk onder hetzelfde opusnummer werd gepubliceerd, gaat opnieuw een heel andere, onstuimige toer op. “Beethoven was een man van contrasten”, benadrukte musicoloog Jan Christiaens tijdens de inleiding. Een componist wiens weldaden een absolute zegen zijn voor zowel het publiek, dat drie werken met een totaal verschillend temperament krijgt voorgeschoteld, als de beide uitvoerders, die aldus uitgedaagd worden om verschillende facetten van hun (samen)spel te belichten.

 

Consequent

 

Gelukkig waren de muzikanten van vanavond van geen kleintje vervaard. Viktoria Mullova is waarschijnlijk de bekendste van de twee. Het levensverhaal van de Oekraïens-Russische violiste van allure, maar zonder kapsones, leest als een avonturenroman, te boek gesteld door Eva Maria Chapman in From Russia to Love. Haar spannendste exploot? De memorabele vlucht naar het westen, ondertussen meer dan twintig jaar geleden. Toch zijn het met ruime voorsprong de muzikale prestaties, prestigieuze residentschappen en artistieke veelzijdigheid – Mullova laat zich ook in jazz, pop en folk niet onbetuigd – waarmee ze sindsdien wereldwijd naam én faam maakte. Haar collega-violiste Isabelle Faust noemt Mullova in het Concertgebouwcahier Historische uitvoeringspraktijk? ook nog eens diegene die wellicht het meest consequent met deze praxis omspringt (p. 85). Bach op een modern instrument ziet Vika dus niet meer zitten en ook voor deze gelegenheid werd haar Guadagnini-viool met darmsnaren uitgerust en een barokboog beroerd. “Als ik dan een concert kan geven met pianoforte is het ideaalbeeld compleet”, zo klinkt het in het Concertgebouwmagazine van deze maand (p. 31).

 

Aan die pianoforte geen Kristian Bezuidenhout, waarmee Mullova in 2010 een geprezen opname van de Kreutzer-sonate maakte, maar wel diens ervaren vakbroeder Paolo Giacometti. De in Nederland woonachtige pianist heeft als solist niet dezelfde renommee als zijn muzikale handlangster, maar heeft als chambrist al ruimschoots zijn strepen verdient. Niemand minder dan cellist Pieter Wispelwey is zijn vaste en tegelijk ook voornaamste sidekick, zowel op plaat als op de bühne. Giacometti's instrumentkeuze voor dit concert was door diens Italiaanse roots geïnspireerd: in de concertzaal pronkte een door Edwin Beunk gerestaureerde pianoforte van Salvatore Lagrassa uit 1815. Een klavier ontworpen in dezelfde contreien als stamvader Cristofori, dat kon niet misgaan. En het is eens wat anders dan de vandaag de dag beter in de markt liggende Franse of Weense bouwers.

 

Afstandelijkheid

 

Om mijn eigen kamermuzikaal ideaalbeeld te vervolledigen, is er dan nog één iets nodig: een niet al te grote, intimistische ruimte waar je aangenaam dicht bij de musici kan aanschuiven. Helaas, voor een publiekslievelinge als Mullova zet je om evident commerciële redenen je grootste capaciteit in. De concertzaal dus, en die was inderdaad goed volgelopen. Maar u begrijpt dat voor vioolsonates de grote zaal van het Concertgebouw en zijn navenant gigantische podium een afstandelijkheid schiep die de beleving allerminst ten goede kwam. En veel belangrijker nog: de historisch geïnformeerde, maar tevens fragiele klank droeg simpelweg niet ver genoeg. Punt. Een euvel dat zich in Brugge met de pianotrio's van Schubert eind vorig seizoen ook voordeed en waaraan deze avond zelfs de Kreutzer slechts met moeite kon verhelpen. De stille vrees vooraf werd dus jammerlijk bewaarheid.

 

In uitdagende, ja zelfs ietwat ondankbare omstandigheden trotseerden Mullova en Giacometti dus hun publiek én Beethovens energieke  vierde Sonate für Pianoforte und Violine . Die begint als uit het niets in een ongewoon volle vaart (Presto). En dus was het tweetal geen opwarming gegund, al viel dat er zeker niet aan te horen. Deze koortsigheid zet ten slotte ook in het rondo (Allegro molto) kordaat de toon, met daartussenin een ritmisch opvallend Andante scherzoso, eerst trekkebenend en dan fugatisch. Het totaalplaatje laat de beide instrumenten schitteren, zowel samen als apart, en is letterlijk adembenemend gecomponeerd: elk van de drie bewegingen eindigt toepasselijk met een zachte zucht van opluchting. Van bij aanvang werd duidelijk hoe zorgvuldig en expressief Mullova met articulatie omgaat – een huzarenstukje, zeker aan dit verwoestende tempo. Snel spreken en toch nog duidelijk prononceren: we weten allemaal dat het geen sinecure is. In muziek is dit niet anders. Niets dan lof ook voor de timing van beide muzikanten in het dialogerende middendeel en het even gesmaakt als subtiel rallentando in de piano als kortstondig rustpunt in de gejaagde finale. Spijtig genoeg hoorden we deze blijken van inlevingsvermogen en nuance bij Giacometti veel te weinig. Mijn charmante buurvrouw knapte af op diens steriele pianospel. De afstand die er fysiek tussen de musici en toehoorders was, manifesteerde zich in de uitvoering ook tussen pianist en partituur.

 

Magisch tijdloos

 

Ondanks haar overwegend relaxte en zangerige signatuur heeft de vierdelige Lente-sonate een niet te miskennen luxeprobleem. Want likkebaardend heb je haar vele moois al talloze keren en steeds met veel genoegen op plaat geconsumeerd, waardoor het intussen verdomd lastig is geworden om tijdens een live-ervaring nog overdonderd of, meer nog, diep geraakt te worden. En hoewel ook dit concert het probleem niet oploste, had het toch enkele bijzonder genietbare momenten in petto, met als uitschieter Mullova's onwezenlijk beheerste boogvoering in het contemplatieve Adagio molto espressivo. Daar kon je, eerlijk waar, uren naar turen. Magische tijdloosheid die enkel met  superlatieven  kan worden bedacht. Mede dankzij het gedoseerde vibrato – enkel bij begin of einde van een motief of frase – en de gevatte accenten in de tweede themagroep steeg ook het openingsdeel (Allegro) ver boven de middelmaat uit. Het ritmisch verraderlijke scherzo daarentegen, hoe kort ook, miste dynamiek om zijn relatieve eentonigheid te doorbreken. Maar het voornaamste pijnpunt situeerde zich in het lage register van de Lagrassa. Dat klonk onaangenaam benauwd, soms zelfs ronduit dof, en vertroebelde bijwijlen niet alleen de balans, maar stond in de Mozartiaanse afsluiter (Allegro ma non troppo) ook nog eens een innigere versmelting van timbres in de weg. Zonde!

 

U vraagt zich allicht af: wat zou dat na de pauze geven? De  opzienbarende mix  van bezetenheid, krijgshaftige razernij en buitensporige virtuositeit die uiteindelijk naar de Franse violist Rodolphe Kreutzer (1766-1831) werd genoemd, is immers een allesbehalve vergevingsgezinde sonate die oorspronkelijk op een drafje bij elkaar was gecomponeerd voor il Mulatto George Bridgetower. Dit Engelse vioolwonder van Afro-Poolse origine verbleef in het voorjaar van 1803 enkele maanden in Wenen om er zijn exuberante kunstjes te tonen en spoorde Beethoven zodoende aan een veeleisend meesterwerk te schrijven. De Kreutzer is een van die legendarische stukken waarmee de componist zijn naam van eigenzinnig vernieuwer alle eer aandeed. Welnu, ook Mullova en Giacometti tilden hun samenspel naar een hoger niveau. Zo was aan de toetsen een veel groter engagement hoorbaar. De fortepiano-intrede tijdens de glansrijke introductie (Adagio sostenuto) was nog schuchter, maar algauw werden de inzetten fermer, de loopjes vinniger en het toucher meer sprankelend, waardoor het aansluitende Presto – niettegenstaande enkele onzuivere intonaties in de viool – algauw tot het hoogtepunt van de avond uitgroeide. Het summum was de aalvlugge cadens waarmee Mullova onverwachts uitpakte daar waar normaliter een korte stilte werd verwacht: in de 19de eeuw een beproefde praktijk, vandaag een weergaloze moment van gratie dat getuigde van pure klasse. En ook Giacometti liet zich meermaals gelden, bijvoorbeeld met snedige accenten tijdens de tweede variatie van het poëtische Andante. De geestdriftige finale was een overtuigende climax en kan je nog het best met de slogan van een niet nader genoemd frisdrankmerk typeren: “vurig fris”. Hetzelfde gold voor het toemaatje: het slot van Beethovens achtste sonate (opus 30 nr. 3).

 

Dit concert kende enkele onmiskenbare manco's, maar ook beklijvende grootsheid van het soort die je maar zelden op een podium hoort.