Dat zou de rode draad kunnen zijn door het eerste kamermuziekconcert van het seizoen in deSingel. Zowel Robert Schumann (1810-1856) als Leos Janácek (1854-1928) als Francis Poulenc (1899-1963) schreven stukken ‘in de volkstoon’. 

Dat zou de rode draad kunnen zijn door het eerste kamermuziekconcert van het seizoen in deSingel. Zowel Robert Schumann (1810-1856) als Leos Janácek (1854-1928) als Francis Poulenc (1899-1963) schreven stukken ‘in de volkstoon’. Dat is enigszins verwonderlijk omdat – vooral in de romantiek – veel componisten én hun publiek, de zogenaamde gegoede burgers, zich ver van en vooral boven het plebs rekenden.

De ‘volkstoon’ van o.m. Schumann verwijst dus veeleer naar een tijdgebonden esthetica dan naar volkse deuntjes. De wereld stond toen ongeveer in rep en roer. Zo was de verhouding tussen muzikant/componist en mecenas/opdrachtgever – maar eveneens de attitude van het aangroeiende publiek en de musici – grondig aan het veranderen. Om een lang verhaal kort te maken: als Schumann naar ‘volkse’ bronnen verwijst dan zijn het veeleer de wijd verspreide verhalen/sprookjes (Märchenerzählungen) dan de volksmuziek (waarop Bartók zich later wel zou baseren).

Fünf Stücke im Volkston voor cello en piano, opus 102 (uit 1849) doen niet toevallig denken aan de Phantasiestücke, opus 73 voor zowel viool, cello als klarinet gecomponeerd in februari van datzelfde jaar. Opus 73 past veel beter bij de klarinet dan bij welk ander instrument ook en wordt dus meestal op klarinet en piano uitgevoerd. De originaliteit van de Fünf Stücke ligt in de benadering/betiteling van de delen. Het gaat niet alleen om het tempo maar om de ‘manier waarop’ iets uitgevoerd dient te worden. Vanitas vanitatum: mit Humor… zegt genoeg.

Het driedelige Pohádka (een sprookje) van Janácek tapt uit hetzelfde vaatje, dat uiteraard niet in dezelfde streek noch in dezelfde epoque ‘gebrouwd’ werd.

Switchen

Na Schumann en Janácek moet de luisteraar even ‘switchen’. De volgende componisten zijn namelijk rasechte Fransen.

Van Camille Saint-Saëns (1835-1921) horen we de Sonate voor cello en piano nr. 1 in c (opus 32).

Trois Pièces voor cello en piano van Nadia Boulanger (1887-1979) vormen een soortement braaf tussendoortje. Van haar hadden we veel ‘moderner’ (lees: iets typisch twintigste eeuw) verwacht.

De Sonate voor cello en piano, opus 143 van Francis Poulenc (1899-1963) klinkt dan weer vertrouwd in de oren, maar heeft meer diepgang dan zijn andere sonates o.a. voor fluit en klarinet. 

Dat zowel bij Schumann, Saint-Saëns als Poulenc sommige passages meteen doen denken aan ander werk van diezelfde componisten is helemaal niet verwonderlijk en al evenmin uitzonderlijk. Het komt zelfs zeer vaak voor (denk maar aan bepaalde motiefjes bij Sjostakovitsj om er maar één te noemen) en is een soort signatuur van de componist. Dat schept een band met de luisteraar die zich dan ook meteen ‘een beetje thuis’ voelt bij het herkennen van dergelijke trekjes en, extrapolerend, van de componist in kwestie.

Nieuw wonder & bewaard geheim

Het nieuwe cellowonder komt uit Duitsland. Maximilian Hornung (°1986 in Augsburg) komt niet ‘kakelvers’ van het conservatorium. Hij won al een aantal prijzen en was eerste cellist in het orkest van de Bayerische Rundfunk. Op deze lauweren rusten zit er bij hem niet in en hij maakt de grote sprong van orkestmuzikant (waarvoor ik overigens het grootste respect koester) naar een toch wel veelbelovende solocarrière.

Een tot nog toe goed bewaard geheim is pianiste Milana Chernyavska. Ze werd geboren in Kiev en kreeg als kind van vijf al pianoles van haar moeder. Twee jaar later werd ze toegelaten tot de befaamde school voor uitzonderlijke talenten aan het Tsjaikovski Conservatorium en datzelfde jaar gaf ze haar eerste concert in de grote concertzaal van Kiev. De rest laat zich eigenlijk raden: les bij de grootste pedagogen, een duizelingwekkende rist prijzen en optredens over de hele wereld met de grootste orkesten en dito solisten. Van een echt geheim kan men dus niet spreken… wel van een lacune in onze informatie. Intussen is mevrouw Chernyavska professor-doktor aan de Universiteit van Kiev.

Luisterproef

The proof of the pudding is in the eating. Onze eerste kennismaking met beide musici is alvast bijzonder aangenaam en de communicatie met het (niet talrijke, wel muziekminnende) publiek is dan ook meteen voelbaar.

De humor in Schumann is niet van het type schaterlach maar vooral hoorbaar in de zinsbouw. Het tempo is precies tot op de nanoseconde… terwijl deze Schumann toch wel een zeker rubato toelaat, ja zelfs erom smeekt. In het tweede stukje Nicht schnell, mit viel Ton zu spielen ontdekken we de schitterende klank die Hornung produceert, zonder overdreven affectie. Nicht zu rasch – waarin we de signatuur van Schumann herkennen (zie hoger) – veronderstelt dan wel enige snelheid maar als het ware met de handrem op. In zijn enthousiasme zit Hornung er op het einde een kommaatje naast… “Dat klinkt niet vals, maar natuurlijk”, fluistert iemand me in het oor. Chernyavska was nogal gul met het gebruik van de rechterpedaal maar daar hebben we geen kritiek op vanwege de mooie klanken die dit voortbrengt.

Janácek is je zuiverste vertelkunst. Meteen herkenbaar en door dit duo puntgaaf vertolkt.

Met Saint-Saëns zitten we een beetje te zwalpen tussen de negentiende en de twintigste eeuw, ook qua stijl. Dit is intrigerende muziek waarin de componist zich ‘laat gaan’. Beide muzikanten slagen erin de veronderstelde (!) bijzonder aangename sfeer te re-creëren.

Zoals gezegd hadden we van Nadia Boulanger het typische idioom van de twintigste eeuw verwacht. De Trois Pièces zijn stukjes die ze voor orgel gecomponeerd had, bewerkt voor cello en piano; volgens professor Mark Delaere “is dit er niet aan te horen”. Hoewel nogal voorspelbaar – Boulanger weet of verwacht tenminste dat er een daverend applaus moet volgen na de uitvoering van deze bij wijlen virtuoze passages – maar een snuifje kitsch is nooit ver weg. Onze jeugd werd gevuld met “die of die heeft les gevolgd bij Nadia Boulanger” zodat ze een beetje onafwendbaar werd in elke biografie van ietwat muzikant. Ook leuk.

Bij de Sonate voor cello en piano, opus 143 van Poulenc zijn we ongewild op zoek naar herkenbaarheid (de signatuur dus) die we terugvinden in de sonate voor fluit en die voor klarinet. Hier is Poulenc opnieuw duidelijk herkenbaar maar deze sonate heeft veel meer diepgang dan het ‘andere’ vergelijkbare werk. Dit behoort ongetwijfeld tot het mooiste van Poulenc. In Bailabile (vrij te vertalen als: dansbaar) hoor je inderdaad een dans: niet het wilde gewiebel van tegenwoordig maar een stijlvol gebeuren. De aanvang van de Finale, met zijn kalme akkoorden, is als een anticlimax die daarna toch losbarst in een onweer van muzikaal materiaal. Schitterend vertolkt.

Het toemaatje dat het publiek weet te ontlokken, past als een tang op een varken. Briljant, dat wel, en nogmaals een blijk van hun kunnen, maar totaal vreemd aan de nochtans zeer mooi opgebouwde ‘sfeer’ van het programma. Als muzikanten zich de hele avond de ziel uit het lijf gespeeld hebben, zit je niet te ‘zeuren’ om nóg een nummertje. Dat getuigt in zekere mate van gebrek aan respect, hoe ‘eerlijk’ bedoeld ook.