U dacht dat klassiek een mannenzaak was? Think again! Want in het gloednieuwe programma van Revue Blanche zwaaien zeven vrouwen de plak. Les Femm’euses biedt naast een origineel staaltje van muzikale emancipatie ook een fascinerende tijdreis doorheen stijlperiodes, en doet er nog een creatie bovenop. Gelukkig waren heren in het publiek wél toegelaten.

U dacht dat klassiek een mannenzaak was? Think again! Want in het gloednieuwe programma van Revue Blanche zwaaien zeven vrouwen de plak. Les Femm’euses biedt naast een origineel staaltje van muzikale emancipatie ook een fascinerende tijdreis doorheen stijlperiodes, en doet er nog een creatie bovenop. Gelukkig waren heren in het publiek wél toegelaten.     

Dat Revue Blanche zijn programma’s met evenveel zorg als branie samenstelt, was Klassiek Centraal reeds eerder opgevallen. De ongebruikelijke bezetting van het kamermuziekensemble – sopraan, fluit, altviool en harp – dwingt hen daar omzeggens ook toe. En toch heeft het viertal zich met Les Femm’euses overtroffen. Verschillende generaties sterke vrouwen staan schouder aan schouder op een concertaffiche die oude en vooral hedendaagse muziek samenbrengt. Daarbij wordt er uit een anoniem vaatje getapt. Strozzi, Saariaho en Sinnhuber: echt fameus klinken deze namen niet in de oren. Samen met vier andere componistes brengt Revue Blanche hen voor het voetlicht en creëert op die manier een verrassende tijdreis doorheen de meest uiteenlopende stijlperiodes.

De première van een nieuw programma is altijd een opwindend moment, zowel voor het publiek als voor de uitvoerders. Er hing dus een gezonde spanning in de lucht. Zou het concert oorspronkelijk in de Miryzaal plaatsvinden, dan werd uit praktische overwegingen naar de Bijlokesite uitgeweken. Dat Revue Blanche het intiemere Kraakhuis boven de concertzaal verkoos, was een keuze die alleen maar toegejuicht kon worden. Het kwam de beleving zeker ten goede, iets waar ook de sfeervolle belichting aan bijdroeg. Op de scène stonden twee harpen en vele lessenaars. De vloer lag bezaaid met kabels die zich een weg baanden naar een MacBook en mengpaneel: elektronica speelt een belangrijke gastrol in Les Femm’euses. Achter de knoppen zat er zelfs een man! Maar de echte machthebber deze avond was en bleef toch de vrouw.

Experimentele hymnen

De reis die Revue Blanche zo weloverwogen had uitgestippeld, begon in het 9de-eeuwse Constantinopel. Daar leefde Kassia, een van de eerste Middeleeuwse componisten van wie de muziek op vandaag nog kan uitgevoerd worden. Verschillende van haar hymnen behoren nog steeds tot de Oosters-orthodoxe liturgie. In Les Femm’euses zijn de gezangen van deze Byzantijnse (toon)dichteres als een rode draad doorheen het programma geweven. Elk van de vijf muzikanten treedt ermee op de voorgrond, en dat leverde een zeer divers en bij momenten bevreemdend klankenpalet op. Hoewel sommige hedendaagse herinterpretaties nog enigszins dicht bij het origineel bleven, was een experimentele toets nooit veraf. Het openingsstuk I en polles amarties (The fallen woman) was hier een mooi voorbeeld van: plechtstatig gezongen, maar tevens voorzien van een sinustoon die met de muziek mee evolueerde. Ook in de andere tussenspelen werd het Middeleeuwse karakter van deze werken op een fascinerende manier bij de tijd gebracht. Daarbij werd de harp met korte drumsticks beroerd (Tin pentachordon lyran | The five-stringed lute) of creëerde men drones door haar snaren aan te strijken (I Edessa | Edessa rejoices).

Deze moderne hertalingen toonden op overtuigende wijze aan hoe composities een blijvende bron van inspiratie kunnen zijn. Ze zorgden er ook voor dat het publiek moeiteloos van de Middeleeuwen naar het heden werden gekatapulteerd, naar de met elektronica geretoucheerde klankwereld van Kaija Saariaho bijvoorbeeld. NoaNoa (1992) refereert aan het gelijknamige dagboek dat Paul Gauguin (1848-1903) in Tahiti bijhield en waarmee de Franse kunstschilder het parfum van Tahitiaanse vrouwen beschreef. Zo weet u ook meteen waar Cacharel de mosterd haalde. In dit opmerkelijke werk gaat het lang niet alleen om fluitspelen. Behendigheid met het pedaal is eveneens vereist. Want in het instrument wordt er ook gesist, geschreeuwd en gestotterd, ruis geblazen of gewoon ademgehaald: geluiden die vervolgens door de computer worden verwerkt en deel gaan uitmaken van het muzikale weefsel. Het resultaat is een mysterieuze mix van kreten en gefluister, van trillers, vluchtige echo’s, schichtige figuren en meditatieve, langgerekte tonen. Mooi klonk het niet altijd, maar intrigeren deed het des te meer. Met Sombres miroirs, het eerste deel uit Vent nocturne (2006), stond er trouwens nog een tweede werk van Saariaho geprogrammeerd. In dit geval was het aan de altviool om zich met pedaal en laptop te omringen. Op een opvallend organische wijze ontvouwde zich een verbluffende chromatische rijkdom die steeds meer aan intensiteit en dreiging won. Een mens zou voor minder naar het puntje van zijn stoel schuiven.

Cycle Rosset

Het oneigenlijke, of toch minstens aparte gebruik van instrumentarium is een constante doorheen Les Femm’euses. Zo werden in het speelse Lundi/Travail uit Cinq jours de Paul Klee (2013) van Claire-Mélanie Sinnhuber niet alleen de snaren van harp en alt gebruikt, maar evenzeer het hout. De volgende dag, tijdens het mijmerende Mardi/Rêve, hoorden we diezelfde, geprepareerde harp dan weer een gong imiteren. En ook in het trio Garten von Freuden und Traurigkeiten (1980) van Sofia Gubaidulina waren hulpstukken nodig om in de harp de gewenste effecten te creëren. Het is zeker één van de grote troeven van dit programma: door de vele onnavolgbare klanken werd het publiek op even vakkundige als paradoxale wijze bij de les gehouden. De ene compositie vloeide daarbij naad-, maar niet altijd geruisloos, in de andere over. Bij Stanza, een werk voor harp van de Belgische Annelies Van Parys, leerlinge van de betreurde Luc Brewaeys, viel vooral de kloeke ritmische virtuositeit op. In Cycle Rosset, wederom van de jonge Française Sinnhuber, werd er op een boeiende manier met de Franse taal geëxperimenteerd. Dat laatste stuk was nota bene een wereldcreatie die speciaal voor Revue Blanche werd geschreven, en één van de schaarse momenten waarop het ensemble als kwartet musiceerde. Daarvan hadden er gerust iets meer mogen zijn.   

Met Francesca Caccini en Barbara Strozzi geeft Les Femm’euses ten slotte ook een podium aan twee goeddeels vergeten Italiaanse barokcomponistes. Het fijn geciseleerde Lasciatemi qui solo van Caccini vormde daarbij een ingetogen rustpunt te midden van het modernere geweld. Strozzi kwam dan weer helemaal op het eind. Haar werk werd zo gearrangeerd dat het vijftal samen kon besluiten, al voegde de elektronica in dit geval niet bijster veel toe. Che si può fare, vraagt het ensemble zich in dit nostalgische lamento af. Op de ingeslagen weg verder gaan natuurlijk. Zoveel is na deze avond wel zeker.