Rond de Noorse pianist Leiv Ove Andsnes hangt een soort aura, in stand gehouden door een perfecte marketingmachine (waarom hij onlangs van label wisselde, is mij een raadsel want de PR van Sony in de Benelux is niet wat je van PR verwacht).

Rond de Noorse pianist Leiv Ove Andsnes hangt een soort aura, in stand gehouden door een perfecte marketingmachine (waarom hij onlangs van label wisselde, is mij een raadsel want de PR van Sony in de Benelux is niet wat je van PR verwacht). Andsnes is weliswaar een van de allerbeste pianisten en het was dan ook in dichte drommen dat het publiek naar het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel kwam.

Andsnes is een vriendelijke man, maar niet iedereen in zijn onmiddellijke omgeving is even minzaam – laat staan joviaal – en de cocon die rond hem geweven wordt, doet geen deugd aan zijn imago.

Vergis je niet: de spontaneïteit die van het spel van Andsnes uitstraalt, komt niet zomaar uit de hemel. Hij is een echt werkbeest en zou in tijden van onvervalst communisme zeker als stachanovist gelauwerd worden. Nu weet iedereen wel dat grote kunst tot stand komt door noeste arbeid. Er bestaat geen andere formule: dat was net zo bij Bach en bij Mozart ook al denken sommigen dat hun meesterwerken ‘zomaar’ op papier verschenen. Niets is minder waar.

Andsnes is dan wel veeleisend voor zichzelf, hij is dat ook voor het orkest dat hem begeleidt. We herinneren ons een incident waarbij hij de muzikanten te raad gaf naar hém te kijken en niet naar de dirigent die er volgens hem niets van bakte… Daar heeft Andsnes dan het volgende op gevonden: de piano midden op het podium, de muzikanten eromheen en… zelf dirigeren en soleren. Dat is natuurlijk niet nieuw, want gebeurde vroeger zeer vaak. Lees: voordat de orkesten (te) groot werden, zodat de solist of concertmeester ze niet meer met één blik kon dirigeren.

Dat heeft voor- en nadelen. Op die manier heeft Andsnes dan wel alles onder controle maar wordt de concentratie in het pianospel iets minder groot (minder dan honderd procent). Daar hoort de doordeweekse melomaan eigenlijk niets van, maar het ís wel zo. De nodige ‘correctie‘ gebeurt wel meteen: met één enkele oogopslag, dankzij een perfect geroutineerd – en in dit geval niet te groot – orkest. Een dirigent die naam waardig is dus geen overbodige luxe, wat u daar ook moge van denken.

Puntgaaf

Op het programma staan twee pianoconcerto’s van Ludwig van Beethoven (1770-1827): het eerste in C (uit 1796) dat, hoewel qua vorm en techniek zeer inventief is, nog fel aanleunt tegen de ‘klassieke’ 18e eeuw, en nummer 3 in c (uit 1802) dat qua proportie nog wel refereert aan Mozart maar qua dialoog tussen solist en orkest van een totaal ander gehalte is, met een half been in de romantiek staat en echt Beethoveniaans is, vooral in het meditatieve middendeel.

Voor het eerste concerto schreef Beethoven zelf drie cadensen, waarin de solist (min of meer) ad libitum kan uitpakken met zijn (of haar) eigen fantasie en virtuositeit. Dit is dan ook het eerste kippenvelmoment van de avond. Er komen er nog. Zelden zo’n puntgave uitvoering van deze muziek gehoord. We denken ongewild terug aan Radu Lupu in betere tijden. Puristen zullen dan wel beweren dat het veel ‘echter’ klinkt op een piano en op andere instrumenten uit de tijd van Beethoven zelf, maar ik vind dat larie. Alles staat of valt met de uitvoerder zelf en met zijn bekwaamheid om de muziek achter de noten te ontdekken en te laten weerklinken. Van ‘klinken’ gesproken: deze Steinway klinkt alles behalve perfect. Om een collega te citeren: de beste piano in België staat in… Utrecht. Dat is een boutade. Het betekent dat men bij ons veel geluk moet hebben om een piano te kunnen beluisteren en – for that matter – te kunnen bespelen die perfect gestemd en geïntoneerd is. Ook hieraan zullen weinig mensen zich storen – want de sfeer staat hoog gespannen en het is inderdaad de muziek die telt, niet hier en daar een vals nootje – maar blikken van verstandhouding tussen echte kenners, zeggen genoeg: jammer.

Bij deze wonderbaarlijke Beethoven vergeten we bijna de rest van het programma: twee stukjes van Igor Stravinsky (1882-1971). Het concerto voor strijkorkest in D, geschreven vlak na de Tweede Wereldoorlog, waarin Stravinsky lichtjes ironiserend alludeert op de simpele oude Italiaanse muziek. Het geheel klinkt bijzonder vloeiend en shockeert allerminst. Dat is met Stravinsky wel eens anders geweest…

Na de pauze is het de beurt aan de blazers die het octet uit 1923 spelen, een zeer contrapuntisch werk waarin de twee trompetten en twee trombones de ‘harde’ boventoon voeren en de ‘zachtere’ blazers (fluit, hobo, klarinet) ietwat intimideren… met uitzondering van de solopassages waarin ook zij kunnen schitteren. Jean Cocteau had het over een “prachtige instrumentale berekening in zilveren cijfers”, wat enigszins suggereert dat het een cerebraal werk is, maar dan wel een met briljante klank.

Een mooier visitekaartje kan het Mahler Chamber Orchestra niet afgeven.