Jaarlijks organiseert de Muziekkapel Koningin Elisabeth een galaconcert in de Henri Le Bœufzaal in het Paleis voor Schone Kunsten, kortweg Bozar, te Brussel. ‘Blauw- en roodbloedigen’, waaronder koningin Paola, tekenden present, samen met sponsors, mecenassen en ‘doordeweekse’ muziekliefhebbers voor dit jaarlijks muziekfeest.

Graaf Bernard de Launoit, voorzitter van de raad van beheer van het prestigieuze instituut, verwelkomde het talrijk opgekomen publiek – de zaal zat afgeladen vol – met terechte trots op dat waar de Muziekkapel vandaag voor staat. Onder de leiding van Arie Van Lysebeth werd het initiatief genomen om de veel te klein geworden behuizing in Waterloo, aan de rand van het Zoniënwoud, sterk uit te breiden. Deze nieuwbouw was de kroon op het werk van de voormalige directeur en de aanzet tot verdere opdrijving van de kwaliteit van het instituut dat terecht wereldfaam geniet.

In samenwerking met Outhere Music / Alpha Classics wordt jaarlijks ook een CD opgenomen en uitgegeven waar de studenten als solist aan bod komen. Het jaargala is eveneens met enkele van deze jonge talenten die telkens weer begeleid worden door het Koninklijk Filharmonisch Orkest van Luik (Ochestre Philharmonique Royal de Liège). Vaste dirigent Jean-Jacques Kantorow leidde het orkest en de solisten in minder gespeeld œuvre van Edouard Lallo dat in confrontatie trad met een concerto van Max Bruch. Qua compositorische kwaliteit won Bruch het op zijn sloffen van Lalo, maar dat is geen reden om Lalo dan maar opzij te schijven.

De geprogrammeerde werken puilden uit van de zwevende dweperigheid tot bombastische romantiek en toch kon ik van de melodieën genieten zonder enige seconde mij te ergeren in de muziek. En toch heb ik me geërgerd. Niet in de muziek op zich, niet in de solisten – wel integendeel ! –, niet in het orkest, maar des te meer in de dirigent. Hij is me fel tegengevallen. Over heel de lijn liet hij een zeer log, zwaar orkest horen waar de kopers, pauken en bassen alles om de haverklap moesten overstemmen. Tegen het einde van de avond deden mijn oren wat pijn. Er was amper tot geen interactie tussen hem en de solisten. Dat moet anders !

Jonge topsolisten veroveren de harten (en podia?)

De avond opende met het Concerto in d voor cello en orkest van Lalo. Een nogal ‘Germaans’ gekleurd concerto. De eerste de beste Duitse romantische componist had het kunnen schrijven. Maar goed, het was dus van de Noord-Fransman met Spaanse wortels die naar het schijnt zeer ‘avant la lettre’ Europeaan was omdat hij zich baseerde op thema’s uit verschillende Europese landen.

Ori Epstein: onthoud vanaf nu de naam. Schrijf hem op in uw notaboek, met de pen of virtueel en maak van de eerste gelegenheid die geboden wordt, om er naar te gaan luisteren. Als hij verder evolueert in de richting waar hij nu al zit, speelt hij grote namen van vandaag én van het verleden in de vergetelheid. Deze jonge 20-ger is een geniaal cellist, geniaal muzikant en tilt dit concerto op tot grote muziek. Jammer van het te dikwijls zo zware orkest, anders was het spel, de interpretatie, de muzikale breedlijnigheid van deze jonge kerel nog meer tot het recht gekomen. Deze vertolking was een soort pre-reclamestunt voor wat de eerste editie van de Koningin Elisabethwedstrijd 2017 voor cello kan worden.

Van Max Bruch speelden violiste Elina Buksha en altviolist Miguel da Silva het concerto voor klarinet en altviool in de zetting waar de viool de klarinet vervangt. Da Silva is van dit academiejaar de nieuwe docent altviool en zo kwam hij mee als solist op het podium. Een verdienstelijk musicus die behoorlijk musiceert, maar gezien zijn op het pedagogische gerichte carrière minder als solist aan bod komt en dat was er toch ook wat aan te merken. Zijn interpretatie was braver van deze van Buksha die de leiding op haar nam. Wat en totaalvioliste! Een sublieme technische beheersing met zeer volle bogen, geen krakend nootje en alleen de zuiverste tonen toverde ze uit haar instrument dat een edele houtklank verspreidt. Dit na de schitterende cello maakte de ontgoocheling van de dirigent in elk mogelijk opzicht goed.

Orkest in andere handen?

Na de pauze kreeg het publiek alweer een soliste te zien en horen die van een dergelijk zeldzaam hoog niveau is, dat je ze onmiddellijk weer wil horen (wat kan, gezien de dubbel cd waar zij en de andere musici op soleren). Vladyslava Luchenko. Noteer je ook deze naam meteen? Zo heb je er drie, een cellist en twee violisten, die je moet (of toch zeker mag) opvolgen. Werk aan de winkel voor melomanen.

Want jawel, Luchenko heeft ook een techniek om van te snoepen, ook zij gebruikt de strijkstok volledig wat op zich al een rijkere vioolklank geeft en dan in het breedste spectrum musiceren? Op een Stradivarius? Met haar bovendien opvallend leidinggevende capaciteiten? Ze nam gewoon het dirigeerwerk in de Fantaisie novégienne voor viool en orkest (Lalo) over met opvallend vlakbij de dirigent te gaan staan en hem, in de ogen kijkend, als het ware te neutraliseren – een feitelijke noodzaak wilde je nog van het werk in het geheel kunnen genieten. Dit alles kruidde ze met de nodige Slavische melancholie – tja, iets te veel glissando toch (ook wel zo bij Epstein) naar mijn smaak, maar een menu van dit niveau bekritiseren? Is dat nog wel geoorloofd of gaat het over “de gustibus et coloribus non est disputandum”? Ik heb het in elk geval gesmaakt en wil meer…

In het pianoconcerto van Lalo werd de jonge pianist Nathanael Gouin gewoon het slachtoffer van een veel de bulderend orkest. De dirigent trok al de aandacht naar zich en sloofde zich uit om met een enorme energieke bewegingsdrift alles uit de kast te halen. Opnieuw prachtige koperklanken, een oorverdovende pauk en diepe contrabassen en fagotten. Lieve hemel en die jonge kerel liet zich helemaal in de doeken doen door het autoritaire geweld van Kantorow. En toch kon je horen dat deze pianist een zeer romige, fijne en doortastende touche heeft en de pianoklanken koestert als zijn grootste liefde. In de stillere orkestmomenten kon hij even adem halen en het publiek laten horen dat hij meer zou kunnen, moest hij niet zo ondergedompeld geworden zijn in een moeras van bolle en logge orkestklanken. Maar, ik blijf erbij: het is niet de fout van de orkestleden. Er was geen enkele stroefheid of onmuzikaliteit bij hen te bespeuren. Zij volgden, zoals het hoort, de dirigent.

Twee punten: we wensen dat de Muziekkapel Koningin Elisabeth deze jaarlijkse traditie verderzet, maar we wensen ook dat er voor de toekomst wordt gekozen voor een dirigent die de solisten hun rol laat spelen en het orkest ten dienste ervan plaatst en niet omgekeerd. Het zal er nog zoveel mooier op worden.