Zaterdag 26 januari was het Philip Glass ensemble te gast in de Gentse Bijloke voor een uitvoering van de muziek die Glass componeerde bij de film “La Belle et la Bête” van Jean Cocteau. Een film uit 1946 met Glassmuziek uit 1994. Een hele, hele confrontatie.

Zaterdag 26 januari was het Philip Glass ensemble te gast in de Gentse Bijloke voor een uitvoering van de muziek die Glass componeerde bij de film “La Belle et la Bête” van Jean Cocteau. Een film uit 1946 met Glassmuziek uit 1994. Een hele, hele confrontatie.

Omdat Glass (°1937) de films van Cocteau reeds vroeg kende, is hij op het idee gekomen om bij drie  Cocteau-producties, nieuwe muziek te componeren. De film “Orphée” uit 1950 werd een nieuwe opera, de roman uit 1929 “Les Enfants terribles” werd een ballet, en de film “La Belle et la Bête” werd  een soort filmopera, “for voices and the Philip Glass Ensemble or chamber orchestra”. Daarin  verving hij de gesproken dialogen door parlando gezongen dialogen. De uitgesproken, typische  Philip Glass muziek klonk anderhalf uur. Zes instrumentalisten, waaronder drie orgel-, clavecimbel- en tuba imiterende synthesizers, produceerden onophoudelijk parallelle intervaliek en ritmische patronen, modellen en sjablonen.  Hoe de typische Philip Glass stijl te verenigen valt met de film, laat ik aan de kijker/luisteraar over en in welke  mate de nieuwe muziek van Glass een meerwaarde betekent t.o.v. de oorspronkelijke, treffende muziek van Georges Auric, laat ik ook aan u over.

De partituur van Glass beantwoordt aan alle ingrediënten van Glass muziek. Want ook hier gaat de binaire en ternaire, ritmische symmetrie, door het binnen sluipen van een toegevoegde achtste noot, vloeiend, moeiteloos en ongemerkt over, in samengestelde ritmen, waarbij dat binnen geslopen achtste nootje, nog maar eens zorgt voor die typische subtiele accentverschuiving. Hoe de recitativische, in snel parlando gezongen dialogen weliswaar te rijmen vallen met de onmogelijke synchronisatie van de lipbewegingen van de oorspronkelijke gesproken dialogen, laat ik ook aan U over, want wie de film (goed) kent, weet in welke mate het timbre van bvb. de stem van Jean Marais, bijdroeg  aan de geheimzinnige dramatiek van het verhaal. En wie de film (goed) kent weet ook wat het belang was van de muziek (met o.a. een vocaliserend koor à la Debussy en een melos zoals in Ravels “Daphnis et Chloé”) en, hoe hoofse elegantie afwisselde met pastorale muziek of gespannen dramatische muziek, naar gelang de scènes.

Wat we zaterdag hebben meegemaakt was een soort test of experiment waarbij we verondersteld werden tezelfdertijd te kijken naar de film, maar met de gesproken dialogen op stil gezet, als was het een stille (stomme) film, en dit te  combineren met het luisteren of liever, het moeten ondergaan, van een muzikale nervositeit zonder gelijke, waarbij dan nog eens twee zangers en twee zangeressen, waaronder een schel klinkende soubrette, in schabouwelijk Frans, en dus nauwelijks verstaanbaar, de dialogen in quasi atonale, parlando declamatie, op ons los lieten.

Hoe zeer ik ook elk oordeel aan u overlaat, staat u toch, als u het mij vraagt,  één iets te doen. U moet nl. eens zo vlug mogelijk gaan kijken naar de oorspronkelijke film met de gesproken dialogen dus, en vooral met de oorspronkelijke muziek van Georges Auric, gedirigeerd door  Roger Desormière. Let dan op het acteertalent en de stem van de beeldschone Josette Day, de gewezen minnares van Marcel Pagnol die zou huwen met onze Belgische Maurice Solvay!, in de rol van la Belle, verplaats u  in de tijd van Madame de Beaumont en het Parijs van Cocteau van net na de bezetting, laat u meevoeren door de fantasmagorie, de maquillage van la bête en de Lieux de tournage (o.a. Senlis), en ga dan de versie van Philip Glass eens beluisteren op cd, maar dan wel volledig. Het oordeel is dan geheel aan u.