Drie-in-één: wat geldt als een beproefd verkooppraatje, is eigenlijk een gevarieerde concertformule waarmee Alexander Melnikov, Le Concert Olympique en Jan Caeyers enkele van de belangrijkste genres uit de klassieke muziek exploreerden. Bijna een hele avond lang werd Mendelssohn met veel overtuiging (her)ontdekt.

Drie-in-één: wat geldt als een beproefd verkooppraatje, is eigenlijk een gevarieerde concertformule waarmee Alexander Melnikov, Le Concert Olympique en Jan Caeyers enkele van de belangrijkste genres uit de klassieke muziek exploreerden. Bijna een hele avond lang werd Mendelssohn met veel overtuiging (her)ontdekt.

Het concert in deSingel maakte deel uit van de reeks ‘Ken uw klassiekers’. Maar hoewel de avond weliswaar volledig aan één wereldberoemd componist was gewijd – Mendelssohn! – kreeg de volgepakte Blauwe Zaal toch twee minder vaak gehoorde werken voorgeschoteld. Als opmerkelijke appetizer werd een schromelijk verwaarloosd stuk kamermuziek opgedist. Geïnspireerd door Mozart, waarmee hij als wonderkind al snel werd vergeleken, debuteerde Mendelssohn met een pianokwartet. Ook zijn twee daaropvolgende opussen componeerde hij als tiener voor deze bezetting. Maar in tegenstelling tot het fel bejubelde octet raakten deze jeugdwerken in de vergetelheid. Hoog tijd dus om het geheugen wat op te frissen, moeten ze bij Le Concert Olympique gedacht hebben. Het orkest zette drie aanvoerders in: concertmeester Friedemann Breuninger, altist Florian Peelman en cellist Franz Ortner. Dat Alexander Melnikov dit trio maar wat graag van ruggensteun voorzag, mag van een chambrist met zijn reputatie allerminst verbazen.

Werk van een snotneus?

De uitvoering van het middelste kwartet (1823) schoot voorzichtig en enigszins timide uit de startblokken. Een zorgvuldige frasering primeerde op het strikt navolgen van het voorgeschreven tempo (Allegro molto), al werd er tussentijds en in het slot ook een aantal keer fluks geaccelereerd. Melnikov ontpopte zich in dit eerste deel tot dirigent van dienst. Met opvallende accenten gaf hij meermaals dynamiek en structuur aan. Via korte notenwissels en meer uitgesponnen dialogen werd het interactieve karakter van de compositie op welsprekende wijze blootgelegd. Daarbij sprong ook de uiterst precieze timing in het oor: aan doorwinterde orkestlieden moet je inderdaad niet leren om samen in te zetten. Wat volgde was een bijzonder gevoelvolle lezing van het zangerige Adagio, wars van enig effectbejag. Melnikov verdween meer naar de achtergrond, al was het in de aanhef toch genieten van zijn zeer genuanceerde aanslag – een quasiconstante doorheen het hele werk. De strijkers intoneerden bij momenten gedurfd zacht, weliswaar zonder dat het geheel uit balans raakte. Bij het aanhoren van zoveel emotionele diepgang restte eigenlijk maar één vraag: was dit nu echt het werk van een snotneus? Dan lag de speelsheid van het intermezzo (Allegro moderato) en de finale (Allegro molto vivace) veel meer in lijn met het verwachtingspatroon. Een gevarieerd gearticuleerd vraag-en-antwoord-spel, strijkers die elkaar vingervlug in de rede vielen en een meer dan aanstekelijk drive: dit was kamermuziek as it ought to be, met dank aan een overtuigend gelegenheidsensemble én een piepjonge componist.   

Nog voor de pauze stond een ander vergeten werk van Mendelssohn op het menu. Want is diens enige vioolconcerto (opus 64) een klassieke hit geworden – een beetje zoals de film Les visiteurs, waarin het bekende thema prominent figureert – dan komen zijn werken voor piano en orkest er behoorlijk bekaaid vanaf. De concurrentie is natuurlijk niet min. Beethoven, Schumann, Brahms, Saint-Saëns of Tchaikovsky: alleen al in de 19de eeuw is er voor de toetsenist keuze te over. Waarom zich dan toch op Mendelssohn storten? “De briljante schrijfwijze voor piano en de pittige finales waren zowel voor solist als voor orkest de gelegenheid om op hoog niveau aangenaam vermaak te brengen en hun kunnen te tonen”, zo gaf het programmaboekje een goede motivatie. Helaas toonde Melnikov zich in het eerste pianoconcerto (1831) verrassend genoeg veel minder geïnspireerd dan in het pianokwartet. In de virtuoze hoekdelen maakte hij meermaals een overhaaste, ja zelfs ietwat onbehouwen indruk. Met het viriele openingsthema (Molto allegro con fuoco) werd ronduit slordig omgesprongen en in de finale (Presto – Molto allegro vivace) kreeg de Rus er niet alle noten uitgeperst. De verstandhouding met het orkest was nochtans allesbehalve slecht. Zowel dynamisch als retorisch zaten beide partijen op dezelfde lijn. Want ook Le Concert Olympique werd door Jan Caeyers met soepele pols naar voren gestuwd. Aan energie ontbrak het diens blauw-zwarte brigade allerminst, al hadden de tweede violen het geheel beslist nóg wat wervelender kunnen maken. De gloedvolle, prachtig gepolijste entrée in het Andante en het daaropvolgende, subtiele geflirt met de pianist waren dan weer een ware lust voor het oor. Of hoe het opschrift op de sokkel van Mendelssohns standbeeld in Leipzig – “Edles nur künde die Sprache der Töne” – in deze beweging op exquise wijze werd bepleit.

Gerodeerd gezelschap

Als hoofdgerecht serveerde Le Concert Olympique zijn publiek een derde en laatste genre: de symfonie. Met de zogeheten ‘Italiaanse’ kozen Caeyers en zijn gevolg voor één van diens meest geliefde orkestwerken, en dan meer bepaald voor de oorspronkelijke versie zoals die in het voorjaar van 1833 werd afgerond. Inspiratie putte Mendelssohn uit de grand tour die hij als prille twintiger door de laars maakte. Het resultaat is een werk waarvan het eerste deel blaakt van joie de vivre (Allegro vivace). Niet alleen de muziek maakte trouwens gelukkig. Ook de uitvoering was in alle geledingen van het orkest een heuse voltreffer: vederlichte strijkers, spits articulerende blazers, attent slagwerk en bassen die voor een stevige fundering zorgden. Zeker in de doorwerking raakten al deze partijen mooi met elkaar verweven. Hier was een gerodeerd gezelschap aan het werk, zoveel is zeker. De plechtstatige puls in het daaropvolgende Andante con moto verried de leidende hand van de dirigent. Het doorlopende stutwerk kwam deze keer van de cello’s; de verfijnde fraseringen kreeg je er haast moeiteloos bovenop en werden ook in het heerlijk smachtende Con moto moderato ten gehore gebracht. De snedige saltarello (Presto) zorgde voor een even opzwepend als voortvarend orgelpunt. Terwijl de jongedame naast mij zich vrolijk maakte over de paukenist die aan zijn instrument leek te snuffelen, bleef het orkest vol gas geven. En trefzeker articuleren: voorwaar een niet te onderschatten uitdaging!  

Kamermuziek, concerto en symfonie: het is een gevarieerde combinatie die gerust wat vaker uitgeprobeerd mag worden. Na zijn kamermuzikale glansprestatie maakte Melnikov als solist een minder solide indruk: een accident de parcours dat de artiest in residentie bij BOZAR dit seizoen zeker nog zal goedmaken. Le Concert Olympique en Jan Caeyers bewezen dan weer dat ze als zelfverklaard Beethovenorkest nog (veel) meer in hun mars hebben. Maar met Viktoria Mullova in Brahms’ vioolconcerto ontdekt u dat volgend voorjaar natuurlijk gewoon zelf …